'Dag meneer, zou ik een treinticket naar Oostende mogen kopen alstublieft?'
- 'Dat mag u zeker, meneer.'
- 'Heen en teru...'
- 'Alstublieft, meneer, dat is dan 7,75 euro.
- 'Ja maar...'
- '7,75 euro, meneer.'
- 'Ik... oké...'
- 'De volgende.'
- 'Of nee, wacht...!'
- 'De volgende.'
- 'Excuseer meneer, als ik nog even mag; dit is een ticket met enkele rei...'
- 'Ik moet u vragen achteraan aan te sluiten meneer. U heeft uw ticket, nu deze mensen nog. De volgende.'
...
- 'De volgende.'
- 'Excuseer meneer, u heeft mij een kwartier geleden een ticket verkocht. Nu ja, verkocht... Opgedrongen eigenlijk.'
- 'Ah, juist ja, nu herken ik u weer.'
- 'Ik... juist...'
- 'Hoe kan ik u helpen, meneer?'
- 'Wel, ik wilde eigenlijk een heen-en-terugticket.'
- 'Naar?'
- 'Euh... naar Oostende natuurlijk!'
- 'Dat kan ik niet ruiken, meneer. Mijn verontschuldigingen, meneer. Wij van de spoorwegen zijn het vuil van de straat ziet u, meneer.'
- 'Dat bedoelde ik n...'
- 'Dat is dan 40 euro, meneer.'
- 'Wat?! Een ticket met enkele reis kost maar 7,75 euro!'
- 'Dat klopt. Had u liever een ticket met enkele reis?'
- 'Dat heb ik al!'
- 'Dan bent u dus geholpen? De volgende.'
- 'Wat?! Ik protesteer!'
- 'Achteraan aansluiten, meneer. U heeft uw ticket, nu deze mensen nog.'
- '"U heeft uw ticket..."'
- 'Pardon, meneer?'
- 'Niks jong, 't is goed!'
...
- 'De volgende.'
- 'Ja... Daar ben ik weer...'
- 'Ah, juist ja, nu herken ik u weer.'
- 'Kijk eens hier, beste vriend; gij hebt mij daarstraks tegen mijn wil een ticket met enkele reis verkocht...'
- 'Een ticket met enkele reis? Waarheen?'
- 'Naar Oostende godverdomme!'
- 'Dat is dan 7,75 euro, meneer.'
- 'Luister, goddomme! Ik wilde een heen-en-terugticket.'
- 'Naar?'
- 'Oostende!!'
- 'O maar had u dat dan toch metéén gezegd, meneer. Dat is dan 50 euro, meneer.'
- '50?! Daarnet was het maar 40 euro!'
- 'Middagtarief, meneer.'
- 'Middagtarief?! Nog nooit van gehoord! Daarbij: toen ik hier een drie kwartier geleden voor het eerst stond was het nog lang geen middag. Nog drie kwartier lang niet, om precies te zijn!'
- 'Wat zegt u, meneer? Ik was even afgeleid door de koffiedame.'
- 'Straks een koffiedame op uw gezicht!'
- 'Maar al te graag, meneer. Maar al te graag...'
- 'Wat?'
- 'U wenst, meneer?'
- 'Ik wil een heen-en-terugticket naar Oostende! Nu!'
- 'Heen en terug naar Oostende? Dat is dan 15,5 euro, meneer.'
- 'Wat? Ik bedoel... Eindelijk! Hierzo!'
- 'Dankuwel, meneer. De volgende.'
- 'Ja maar, wacht...'
- 'Gelieve achteraan aan te sluiten meneer. U heeft uw ticket...'
- '"Nu deze mensen nog...!"'
- 'Inderdaad, meneer.'
- 'Hoepel toch op met uw gemeneer, rapenschijter!'
- 'De volgende.'
...
- 'De volgende.'
- 'Ja daar ben ik weer, ja! "Ah, nu herkent ge mij weer", loop schijten.'
- 'Hoe kan ik u helpen, meneer?'
- 'In het laatste uur hebt ge mij zowel een ticket met enkele reis als een heen-en-terugticket naar Oostende aangesmeerd...'
- 'Dat is dan samen 23,25 euro, meneer.'
- 'Durf die tickets niet te drukken, kerel...'
- 'Pardon?'
- 'Ik sla dit hele loket kort en klein, makker...'
- 'Security!'
...
- 'De volgende.'
- 'Kijk vriend; dat ik uiteindelijk 46,5 euro neergeteld heb voor vier tickets waarvan ik er maar één nodig heb, daar kan ik mee leven. Dat ik onder harde dwang onderworpen ben aan een nu ook weer niet zó voorzichtig -maar daarom niet minder uitgebreid- uitgevoerde fouillering, tot daar aan toe. Maar dat gij hier ongestraft en met een grijns om van uw bakkes te kloppen, vanaf komt, daar kan ik dan weer níet mee leven...'
- 'Excuseer meneer, ik heb lunchpauze. Ik word het komende uur vervangen door deze jobstudent hier.'
- 'De volgende.'
- 'Goed zo, Dave, je leert bij. Tot straks.'
- 'Kijk Dave, ik probeer je de situatie zo goed en zo kwaad mogelijk uit te leggen: ongeveer twee uur geleden vroeg ik hier om een ticket met enkele reis naar Oostende en...'
- 'Dat is dan 7,75 euro, meneer.'
- 'Rghraaaaaaaaaah!!!!!'
donderdag 2 juli 2009
zondag 14 juni 2009
Mermans Gerry
Twintig voor negen was het, vijftien minuten stond hij er al, tien minuten over tijd was Klapschuif en vijf minuten zou het nog duren vooraleer Oswald de directie haar vet eens zou gaan geven en een boekje opendoen over Klapschuif als ze niet snel maakte dat ze op het appèl verscheen. Hij had niet eens les van de kalle, zij gaf Economie en Oswald deed Latijn-Moderne Talen, maar het was gebruikelijk dat het toezicht door iemand anders werd gedaan bij de examens.
Daar kwam ze dan eindelijk aangekakt, met die verzuurde melkgeur walmend uit haar te brede mond; het soort mond dat wangen overbodig maakt. Helaas had ze geen karakter dat haar vorte smoel overbodig maakte, dacht Oswald.
Mevrouw Klapschuif zag eruit als een dooie folkzangeres. Harig ook, vooral rond de mond en oksels. En anus.
"Sorry dat ik te laat ben kinderen, ik had mevrouw Walgsmeer nog wat te vertellen; ditjes en datjes, je weet wel."
Nee strontwijf, dat weet ik niet, dacht Oswald, alsook sorry mijn reet.
Oswald was er de man niet naar genoegen te nemen met dat soort halfslachtige, onwaarachtige verontschuldiginkjes en gooide zijn boekentas naar het wijf. Deze zweefde even door het zwerk (de boekentas, niet Klapschuif) alvorens haar (Klapschuif dus) vol op het achterhoofd te treffen, toen zij haar sleutel in het sleutelgat stak.
De andere studenten stonden als aan de grond genageld en zelfs Oswald schrok van zijn daad. Briesend van woede, met een roodaangelopen smoel die nog lelijker dan anders was, draaide ze zich om.
"Wie was dat?!"
Gelukkig was niemand in staat een woord uit te brengen. Het wijf haalde Oswalds agenda uit zijn tas. "Wie is die Oswald Smosbleys?!"
Oswald wees vliegensvlug naar Mermans Gerry, de permanent door oorontstekingen geteisterde, lijkbleke zoon van Danny "De Klak" Mermans, de uitbater van krantenwinkel "De Natte Gazet" van op de hoek (die overigens nooit dergelijk hoofddeksel had gedragen) (...een klak, geen natte gazet) (...die droeg hij immers dagelijks).
"Gij moet uw examen al niet meer maken!" tierde de kut.
- "Jamaar..."
- "Buiten!"
Oswald glimlachte. Zijn list was gelukt.
"Gij daar, met die domme grijns op uw smoel, gij moogt het ook afbollen!"
- "Jamaar..."
- "Zwijgen en oprotten! En alletwee geschorst, daar zorg ik wel voor!"
Oswald wist niet wat hem overkwam. Zijn list was toch gelukt? Waarom werd hij dan ook geschorst?
"Euh... Mag ik Oswald zijn boekentas dan terug, mevrouw?" probeerde hij.
- "Een boekentas op uw smoel kunt ge krijgen!" was het briesende strontwijfs repliek.
Oswald kon de verzuurde melk ruiken. Een weinig kokhalzen diende zich aan en het duurde niet lang vooraleer Oswald in de smiezen kreeg dat dit kokhalzen een gevolg zou krijgen.
Vliegensvlug griste hij Gerry's échte boekentas uit diens handen en vulde haar met zijn maaginhoud, alvorens de tot de rand met kots gevulde boekentas weer in Gerry's handen te duwen, waarbij hem niet ontgaan was dat een hoeveelheid kots zich al klotsend een weg naar diens t-shirt had gebaand.
Gerry begon hysterisch te huilen en smeet de boekentas de lucht in, slechts luttele seconden later recht op de kop van het wijf landend. Mevrouw Klapschuif zette het alras zelf op een overgeven - de geur was immers dusdanig penetrant dat zelfs háár reukzin de witte vlag hees - en een ijzingwekkende, door merg en been gaande, slechts door hardnekkig gekots gestokte gil vulde de gang.
Klapschuif stortte zich - nog steeds hevig overgevend - op Mermans Gerry en rukte hem de haren van het hoofd. Oswald probeerde ondertussen de brokken enigszins te lijmen door met een zakdoek de grootste kotsbrokjes uit de haardos van de hysterisch Klapschuif te peuteren, toen plots de directeur ten tonele verscheen.
Nadat Gerry naar het hospitaal afgevoerd was en terwijl men mevrouw Klapschuif een dwangbuis aan het omsnoeren was, moest Oswald - de enige die de directeur in staat scheen verslag uit te brengen van het gebeuren - euh... verslag uitbrengen van het gebeuren.
"...dus hoewel ik door het stron... euh... mevrouw Klapschuif geschorst was - en dan nog voor iets waar ik niets aan kon doen: Gérry had die boekentas naar haar hoofd geworpen - heb ik toch nog de kotsbrokjes uit haar haar proberen peuteren, meneer..."
- "Een daad van pure naastenliefde, jongeman! Maak je over die schorsing maar geen zorgen, die is kwijtgescholden.
Maar die Gerry, die gaat er van lusten...! Eens hij uit die coma ontwaakt is, tenminste..."
Daar kwam ze dan eindelijk aangekakt, met die verzuurde melkgeur walmend uit haar te brede mond; het soort mond dat wangen overbodig maakt. Helaas had ze geen karakter dat haar vorte smoel overbodig maakte, dacht Oswald.
Mevrouw Klapschuif zag eruit als een dooie folkzangeres. Harig ook, vooral rond de mond en oksels. En anus.
"Sorry dat ik te laat ben kinderen, ik had mevrouw Walgsmeer nog wat te vertellen; ditjes en datjes, je weet wel."
Nee strontwijf, dat weet ik niet, dacht Oswald, alsook sorry mijn reet.
Oswald was er de man niet naar genoegen te nemen met dat soort halfslachtige, onwaarachtige verontschuldiginkjes en gooide zijn boekentas naar het wijf. Deze zweefde even door het zwerk (de boekentas, niet Klapschuif) alvorens haar (Klapschuif dus) vol op het achterhoofd te treffen, toen zij haar sleutel in het sleutelgat stak.
De andere studenten stonden als aan de grond genageld en zelfs Oswald schrok van zijn daad. Briesend van woede, met een roodaangelopen smoel die nog lelijker dan anders was, draaide ze zich om.
"Wie was dat?!"
Gelukkig was niemand in staat een woord uit te brengen. Het wijf haalde Oswalds agenda uit zijn tas. "Wie is die Oswald Smosbleys?!"
Oswald wees vliegensvlug naar Mermans Gerry, de permanent door oorontstekingen geteisterde, lijkbleke zoon van Danny "De Klak" Mermans, de uitbater van krantenwinkel "De Natte Gazet" van op de hoek (die overigens nooit dergelijk hoofddeksel had gedragen) (...een klak, geen natte gazet) (...die droeg hij immers dagelijks).
"Gij moet uw examen al niet meer maken!" tierde de kut.
- "Jamaar..."
- "Buiten!"
Oswald glimlachte. Zijn list was gelukt.
"Gij daar, met die domme grijns op uw smoel, gij moogt het ook afbollen!"
- "Jamaar..."
- "Zwijgen en oprotten! En alletwee geschorst, daar zorg ik wel voor!"
Oswald wist niet wat hem overkwam. Zijn list was toch gelukt? Waarom werd hij dan ook geschorst?
"Euh... Mag ik Oswald zijn boekentas dan terug, mevrouw?" probeerde hij.
- "Een boekentas op uw smoel kunt ge krijgen!" was het briesende strontwijfs repliek.
Oswald kon de verzuurde melk ruiken. Een weinig kokhalzen diende zich aan en het duurde niet lang vooraleer Oswald in de smiezen kreeg dat dit kokhalzen een gevolg zou krijgen.
Vliegensvlug griste hij Gerry's échte boekentas uit diens handen en vulde haar met zijn maaginhoud, alvorens de tot de rand met kots gevulde boekentas weer in Gerry's handen te duwen, waarbij hem niet ontgaan was dat een hoeveelheid kots zich al klotsend een weg naar diens t-shirt had gebaand.
Gerry begon hysterisch te huilen en smeet de boekentas de lucht in, slechts luttele seconden later recht op de kop van het wijf landend. Mevrouw Klapschuif zette het alras zelf op een overgeven - de geur was immers dusdanig penetrant dat zelfs háár reukzin de witte vlag hees - en een ijzingwekkende, door merg en been gaande, slechts door hardnekkig gekots gestokte gil vulde de gang.
Klapschuif stortte zich - nog steeds hevig overgevend - op Mermans Gerry en rukte hem de haren van het hoofd. Oswald probeerde ondertussen de brokken enigszins te lijmen door met een zakdoek de grootste kotsbrokjes uit de haardos van de hysterisch Klapschuif te peuteren, toen plots de directeur ten tonele verscheen.
Nadat Gerry naar het hospitaal afgevoerd was en terwijl men mevrouw Klapschuif een dwangbuis aan het omsnoeren was, moest Oswald - de enige die de directeur in staat scheen verslag uit te brengen van het gebeuren - euh... verslag uitbrengen van het gebeuren.
"...dus hoewel ik door het stron... euh... mevrouw Klapschuif geschorst was - en dan nog voor iets waar ik niets aan kon doen: Gérry had die boekentas naar haar hoofd geworpen - heb ik toch nog de kotsbrokjes uit haar haar proberen peuteren, meneer..."
- "Een daad van pure naastenliefde, jongeman! Maak je over die schorsing maar geen zorgen, die is kwijtgescholden.
Maar die Gerry, die gaat er van lusten...! Eens hij uit die coma ontwaakt is, tenminste..."
dinsdag 28 april 2009
Na(dat)
Die ochtend werd Het Wijf wakker. Dat doet ze wel vaker. Vooral 's ochtends. Na gescheten, haar hol en vagijn gereinigd te hebben, begaf ze zich naar de keuken. Na haar keuken uitgebrand te hebben gezien als gevolg van een defect Senseoapparaat, begaf ze zich naar de dienst Spoedgevallen, alwaar ze het op een hysterisch krijsen zette nadat dokter Vlaagwalm haar bij wijze van hartelijke begroeting een smakkerd op de van overvloedige beharing voorziene lippen gaf. Het Wijf had het niet zo begrepen op mannen, vooral niet het soort mannen dat zich des ochtends nooit de moeite getroost een onderbroek aan te trekken en als gevolg hiervan heelder dagen rondloopt met een doorschemerende kakstreep in de broek.
Na enig hysterisch gekrijs begaf Het Wijf zich weder naar huis, alwaar ze dan maar wat brandzalf aanbracht op de brandzalfbehoevende plaatsen, alsook op haar snufferd, aangezien dokter Vlaagwalm enkele joekels van koortsblazen op zijn bakkes had staan toen hij zich aan haar vergreep.
Na enig verder gepeins over brandzalf, koortsblazen en de reet van Michelle Obama, die Het Wijf best aantrekkelijk vond omdat diens reet haar herinnerde aan het gezicht van Michelle Obama, begaf Het Wijf zich naar de woonkamer, alwaar de schimmel op de sofa haar opwachtte op diezelfde sofa.
"Dag Het", zei deze.
- "Dag eikel", antwoordde Het Wijf verveeld.
Na een boeiende, vier uur durende dialoog over onder andere de socio-economische en politieke impact van de beurscrash van 1929 en vergelijkingen met de huidige economische crisis, de allegorie van de grot volgens Plato en de doorschemerende kakstreep in de broek van dokter Vlaagwalm, stak Het Wijf een sigaret op.
Nadat nu ook haar woonkamer in vlammen opgegaan was, reed Het Wijf op haar schimmel naar de dienst Spoedgevallen, alwaar ze het op een hysterisch krijsen zette nadat dokter Vlaagwalm haar bij wijze van hartelijke begroeting alweer een smakkerd op de van overvloedige beharing voorziene lippen gaf. Het Wijf had het nog steeds niet zo begrepen op mannen, vooral niet het soort mannen dat zich des ochtends nooit de moeite getroost een onderbroek aan te trekken en zijn schrijfsels doet overlopen van vunzigheden, flauwe, zichzelf herhalende grapjes en kutslotzinnen.
Na enig hysterisch gekrijs begaf Het Wijf zich weder naar huis, alwaar ze dan maar wat brandzalf aanbracht op de brandzalfbehoevende plaatsen, alsook op haar snufferd, aangezien dokter Vlaagwalm enkele joekels van koortsblazen op zijn bakkes had staan toen hij zich aan haar vergreep.
Na enig verder gepeins over brandzalf, koortsblazen en de reet van Michelle Obama, die Het Wijf best aantrekkelijk vond omdat diens reet haar herinnerde aan het gezicht van Michelle Obama, begaf Het Wijf zich naar de woonkamer, alwaar de schimmel op de sofa haar opwachtte op diezelfde sofa.
"Dag Het", zei deze.
- "Dag eikel", antwoordde Het Wijf verveeld.
Na een boeiende, vier uur durende dialoog over onder andere de socio-economische en politieke impact van de beurscrash van 1929 en vergelijkingen met de huidige economische crisis, de allegorie van de grot volgens Plato en de doorschemerende kakstreep in de broek van dokter Vlaagwalm, stak Het Wijf een sigaret op.
Nadat nu ook haar woonkamer in vlammen opgegaan was, reed Het Wijf op haar schimmel naar de dienst Spoedgevallen, alwaar ze het op een hysterisch krijsen zette nadat dokter Vlaagwalm haar bij wijze van hartelijke begroeting alweer een smakkerd op de van overvloedige beharing voorziene lippen gaf. Het Wijf had het nog steeds niet zo begrepen op mannen, vooral niet het soort mannen dat zich des ochtends nooit de moeite getroost een onderbroek aan te trekken en zijn schrijfsels doet overlopen van vunzigheden, flauwe, zichzelf herhalende grapjes en kutslotzinnen.
zondag 16 november 2008
Het Bruine Ravijn des Doods
Hermick staarde minutenlang wezenloos naar de opengesperde anus aan de overkant van de kamer. De hand waarmee hij de telefoon vasthield werd prompt een tikje klammer. "Nou dokter, zegt u maar wat u wil weten..."
- "Meneer Pofschaap, dit is niet de methode..."
- "Dat dit niet de methode is weet ik zelf ook wel, dokter. Ik had me mijn zondagmorgen ook anders voorgesteld; niet geconfronteerd worden met het Bruine Ravijn des Doods van die van ons, had allicht andere gevoelens teweeggebracht dan het stijgend doodsverlangen dat zich thans van mij meester maakt. Punt blijft: die van ons is nogal schuchter, om niet te zeggen bijzonder verlegen, en u begrijpt zelf ook wel dat wijdbeens en met opengesperde anus voor een wildvreemde gaan staan een behoorlijk grote opdracht voor zo iemand is..."
- "Maar ik ben toch geen wildvreemde? Ik heb destijds uw zoon nog helpen ter wereld brengen...!"
- "...en herinnert u zich dat nog? Hoe ze wanhopig probeerde haar vereelte schaamlippen opeen te klemmen, zodoende een ernstig zuurstoftekort veroorzakend voor onze Geraldo-Jack, met de gekende gevolgen..."
- "En toch, meneer Pofschaap, kan ik geen diagnose stellen zonder de vette reet van die van u van naderbij gezien te hebben."
- "En Geraldo-Jack alleen achterlaten in het bijzijn van twee krolse katers en mijn collectie Liesbeth List-elpees?? Beseft u dan niet wat voor apocalyptische ravage dat geheid tot gevolg heeft?? U, meneer, bent een onbekwame paljas! Een kwakzalver! Een... een..."
Hermick begon uit alle poriën zijner knokige lichaam te zweten als een rund.
"Een... een..."
- "Ja?"
- "Een..."
- "Zegt u maar..."
Woedend smeet Hermick de telefoon door het (gesloten) venster en concentreerde zich weer op de bruine krater voor zich. Na enkele minuten sprak die van hem:
"Zal ik alvast koken?"
- "Koken?! Wie denk je wel dat je bent?!"
-PETS-
- "Maar dat vroeg je toch, daarstraks?"
- "Oh ja... Nou dan, toe maar."
En terwijl die van hem de linzen bereidde, staarde Hermick dromerig door het raam, denkend aan Geraldo-Jack en de volgescheten luiers waarmee hij dagelijks op de proppen kwam. En geen mens die zich bekommerde om het arme oude besje dat twee verdiepingen lager bewusteloos lag te wezen in een plas bloed, met naast zich Hermicks telefoontoestel.
- "Meneer Pofschaap, dit is niet de methode..."
- "Dat dit niet de methode is weet ik zelf ook wel, dokter. Ik had me mijn zondagmorgen ook anders voorgesteld; niet geconfronteerd worden met het Bruine Ravijn des Doods van die van ons, had allicht andere gevoelens teweeggebracht dan het stijgend doodsverlangen dat zich thans van mij meester maakt. Punt blijft: die van ons is nogal schuchter, om niet te zeggen bijzonder verlegen, en u begrijpt zelf ook wel dat wijdbeens en met opengesperde anus voor een wildvreemde gaan staan een behoorlijk grote opdracht voor zo iemand is..."
- "Maar ik ben toch geen wildvreemde? Ik heb destijds uw zoon nog helpen ter wereld brengen...!"
- "...en herinnert u zich dat nog? Hoe ze wanhopig probeerde haar vereelte schaamlippen opeen te klemmen, zodoende een ernstig zuurstoftekort veroorzakend voor onze Geraldo-Jack, met de gekende gevolgen..."
- "En toch, meneer Pofschaap, kan ik geen diagnose stellen zonder de vette reet van die van u van naderbij gezien te hebben."
- "En Geraldo-Jack alleen achterlaten in het bijzijn van twee krolse katers en mijn collectie Liesbeth List-elpees?? Beseft u dan niet wat voor apocalyptische ravage dat geheid tot gevolg heeft?? U, meneer, bent een onbekwame paljas! Een kwakzalver! Een... een..."
Hermick begon uit alle poriën zijner knokige lichaam te zweten als een rund.
"Een... een..."
- "Ja?"
- "Een..."
- "Zegt u maar..."
Woedend smeet Hermick de telefoon door het (gesloten) venster en concentreerde zich weer op de bruine krater voor zich. Na enkele minuten sprak die van hem:
"Zal ik alvast koken?"
- "Koken?! Wie denk je wel dat je bent?!"
-PETS-
- "Maar dat vroeg je toch, daarstraks?"
- "Oh ja... Nou dan, toe maar."
En terwijl die van hem de linzen bereidde, staarde Hermick dromerig door het raam, denkend aan Geraldo-Jack en de volgescheten luiers waarmee hij dagelijks op de proppen kwam. En geen mens die zich bekommerde om het arme oude besje dat twee verdiepingen lager bewusteloos lag te wezen in een plas bloed, met naast zich Hermicks telefoontoestel.
dinsdag 21 oktober 2008
De verrekte Verreths
Hippoliet had na rijp beraad besloten zijn zaak in tweedehandsspullen te verkopen. De ooit zo bloeiende zaak met niet minder dan twéé landelijke filialen was verworden tot een armtierig winkeltje in een al even armtierig steegje in zijn dorp van herkomst.
De zwanenzang werd ingezet toen Hippoliet destijds de wagentjes met afstandsbediening van de 'Pak De Poen Show' overkocht van een gedeelde kennis van hem en de gebroeders Verreth. De weinige gegadigden haakten steevast af na het zien van de tapes van de legendarische eerste aflevering. Eentje werd zelfs afgevoerd nadat zijn gezichtsspieren blokkeerden tijdens een al te intensieve lachbui. Tot op de dag van vandaag zijn deze geblokkeerd en is de man in staat een volledige appel moeiteloos in zijn mond te stoppen.
Een tweede klap kreeg Hippoliet te verwerken toen hij het in zijn kop kreeg naast gebruikte kleren, meubelen en andere gebruiksvoorwerpen, ook onder meer gebruikte condooms aan te bieden.
Toen Hippoliet onlangs een lading Fortisaandelen aankocht om in zijn winkeltje bij wijze van laatste reddingsmiddel te verkopen, kreeg zijn zaak de definitieve genadeslag.
Daarom besloot Hippoliet de strijd op te geven. Maar omdat hij een eeuwige optimist was, ging hij diezelfde avond op stap. Tot maar liefst elf uur 's avonds was hij wezen kaarten met zijn makkers in rusthuis 'Herfstbladeren' (voorheen bekend als rusthuis 'Het Laatste Loodje', fdb.)! En zoals het een geslaagd avondje uit betaamt, eindigde Hippoliets eigen persoonlijke rave in een vechtpartij, toen hij zich genoodzaakt zag Freddy 'De Klak' (hoewel hij nooit een dergelijk hoofddeksel had gedragen, fdb.) Smosmans enkele ferme petsen tegen zijn smoel te geven, omdat hij naar Hippoliets zin te veel had zitten praten tijdens het wiezen.
De volgende dag diende Hippoliet zijn nachtelijke uitspattingen uit te zweten, en terwijl zijn vrouw hem een tas soep bracht in de geheel verduisterde voorkamer, mompelde hij, gebukt gaand onder enorme hoofdpijn: "Als ik die verrekte Verreths ooit tegenkom, geef ik hen die gebruikte condooms te vreten..."
De zwanenzang werd ingezet toen Hippoliet destijds de wagentjes met afstandsbediening van de 'Pak De Poen Show' overkocht van een gedeelde kennis van hem en de gebroeders Verreth. De weinige gegadigden haakten steevast af na het zien van de tapes van de legendarische eerste aflevering. Eentje werd zelfs afgevoerd nadat zijn gezichtsspieren blokkeerden tijdens een al te intensieve lachbui. Tot op de dag van vandaag zijn deze geblokkeerd en is de man in staat een volledige appel moeiteloos in zijn mond te stoppen.
Een tweede klap kreeg Hippoliet te verwerken toen hij het in zijn kop kreeg naast gebruikte kleren, meubelen en andere gebruiksvoorwerpen, ook onder meer gebruikte condooms aan te bieden.
Toen Hippoliet onlangs een lading Fortisaandelen aankocht om in zijn winkeltje bij wijze van laatste reddingsmiddel te verkopen, kreeg zijn zaak de definitieve genadeslag.
Daarom besloot Hippoliet de strijd op te geven. Maar omdat hij een eeuwige optimist was, ging hij diezelfde avond op stap. Tot maar liefst elf uur 's avonds was hij wezen kaarten met zijn makkers in rusthuis 'Herfstbladeren' (voorheen bekend als rusthuis 'Het Laatste Loodje', fdb.)! En zoals het een geslaagd avondje uit betaamt, eindigde Hippoliets eigen persoonlijke rave in een vechtpartij, toen hij zich genoodzaakt zag Freddy 'De Klak' (hoewel hij nooit een dergelijk hoofddeksel had gedragen, fdb.) Smosmans enkele ferme petsen tegen zijn smoel te geven, omdat hij naar Hippoliets zin te veel had zitten praten tijdens het wiezen.
De volgende dag diende Hippoliet zijn nachtelijke uitspattingen uit te zweten, en terwijl zijn vrouw hem een tas soep bracht in de geheel verduisterde voorkamer, mompelde hij, gebukt gaand onder enorme hoofdpijn: "Als ik die verrekte Verreths ooit tegenkom, geef ik hen die gebruikte condooms te vreten..."
zondag 19 oktober 2008
Man toont kaas en wint
VOGHTEGEM (Belga) - Abraham Prot werd deze week verkozen tot Kaasfiguur van het Jaar. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt door het Goudse KaasKommittee aan de persoon die zich dat jaar het meest heeft ingezet voor de uitbouw van een positief imago aangaande de kaasindustrie.
Abraham Prot is vooral bekend van de Finse Piimelkaas-advertenties, waarin hij, een brede glimlach tentoonspreidend, een grote bol kaas voor zich uit houdt, gekleed in traditionele Finse kledij, met een gestroopte eskimo - of Inuit, zoals ze tegenwoordig genoemd willen worden - over zijn schouder gedrapeerd. De advertenties waren een daverend succes: de verkoop van Piimelkaas steeg met 694 percent, het stropen van eskimo's met 261 percent. Ook de slagzin 'Proef mijn Piimelkaas!' werd al snel gemeengoed.
Dévid Vaasz, de fotograaf die de foto's maakte, reageert: 'Hoe die man een kaas kan vasthouden, daar hebt ge geen gedacht van... Die kan de puurheid, verscholen in het innerlijke van de kaas op zo'n prachtige manier naar buiten halen, dat de tranen mij in de ogen springen als ik er nog maar aan denk. Als één man die prijs verdient, is hij het wel. Chapeau, copain!'
Mia Flens, woordvoerster van het Goudse KaasKommittee, onderstreept Prots gave: 'Ik herinner me nog zijn sollicitatie. Hoe hij het lokaal binnenkwam... Die man stráálde kaas uit. Die geur ook! Die man was één en al schimmelkaas. De perfecte kandidaat om ons bedrijf en product te vertegenwoordigen.' Of dhr. Prot ook de advertenties van de nieuwe Piimel Light en Piimel Extra Gerijpt zal sieren? 'Jazeker. Als we hem nog kunnen betalen natuurlijk.'
Dhr. Prot was niet bereikbaar voor commentaar, maar zijn agent heeft wel laten weten dat zijn cliënt bijzonder tevreden is met de titel, het prijzengeld (8 000 euro, red.) én het snoepreisje naar Echternach dat het met zich meebracht.
(fdb.)
Abraham Prot is vooral bekend van de Finse Piimelkaas-advertenties, waarin hij, een brede glimlach tentoonspreidend, een grote bol kaas voor zich uit houdt, gekleed in traditionele Finse kledij, met een gestroopte eskimo - of Inuit, zoals ze tegenwoordig genoemd willen worden - over zijn schouder gedrapeerd. De advertenties waren een daverend succes: de verkoop van Piimelkaas steeg met 694 percent, het stropen van eskimo's met 261 percent. Ook de slagzin 'Proef mijn Piimelkaas!' werd al snel gemeengoed.
Dévid Vaasz, de fotograaf die de foto's maakte, reageert: 'Hoe die man een kaas kan vasthouden, daar hebt ge geen gedacht van... Die kan de puurheid, verscholen in het innerlijke van de kaas op zo'n prachtige manier naar buiten halen, dat de tranen mij in de ogen springen als ik er nog maar aan denk. Als één man die prijs verdient, is hij het wel. Chapeau, copain!'
Mia Flens, woordvoerster van het Goudse KaasKommittee, onderstreept Prots gave: 'Ik herinner me nog zijn sollicitatie. Hoe hij het lokaal binnenkwam... Die man stráálde kaas uit. Die geur ook! Die man was één en al schimmelkaas. De perfecte kandidaat om ons bedrijf en product te vertegenwoordigen.' Of dhr. Prot ook de advertenties van de nieuwe Piimel Light en Piimel Extra Gerijpt zal sieren? 'Jazeker. Als we hem nog kunnen betalen natuurlijk.'
Dhr. Prot was niet bereikbaar voor commentaar, maar zijn agent heeft wel laten weten dat zijn cliënt bijzonder tevreden is met de titel, het prijzengeld (8 000 euro, red.) én het snoepreisje naar Echternach dat het met zich meebracht.
(fdb.)
dinsdag 14 oktober 2008
Walm
Korneel Pölvrughtts "Hoe aambeien je seksleven kunnen vergallen" was sowieso al geen bestseller maar dat zich op de Boekenbeurs dermate weinig gegadigden rond zijn standje zouden verzamelen, had hij nooit durven vermoeden. De alcoholstift waarmee hij het boek zou signeren was alreeds uitgedroogd, toen de moegetergde auteur zich naar het standje van een bevriende schrijfster begaf.
Aldaar trof hij Marva Krotfuv, die haar boek "Mijn leven als moffenhoer" volop aan het promoten was. Ook zij leek te kampen met een zekere desinteresse vanwege Het Collectieve Geboekenwurmte.
Niet gehinderd door haar ietwat mannelijke uiterlijk, ging Korneel recht op zijn doel af.
"Marva, kind, wat zoudt gij doen mocht ik u zeggen dat ook ik enig Germaans bloed door mijn aad'ren heb lopen?"
De schrijfster bekeek hem met haar goede oog, doofde haar sigaret op zijn arm en sprak:
"Dat hangt af van de grootte uwer tros aambeien, stoere knaap..." en ze kneep een duimgrote puist temidden van haar met tatoeages gevulde voorarm uit.
Korneel veegde het uitknijpsel van zijn hemd, krabde zich in de paar plukken van schilfertjes vergeven haar die hij nog had en antwoordde stoutmoedig:
"Laat ons zeggen dat ik mijn poef overal met me meedraag, gij gort object mijner begeerte!"
Marva staakte het oppoetsen van haar glazen oog, stak het weer in haar kas en voelde nattigheid. Het soort nattigheid dat verliefde koppeltjes zo vaak voelen ter hoogte van de schaamstreek, in dit geval weliswaar gepaard gaand met een tot braakneigingen aanzettende walm.
Deze geur was ook enkele medeauteurs in de nabije omgeving niet ontgaan en alras kotste Arsène Cackdhoos, auteur van "De nare gevolgen van een vreemde achternaam", zijn boek én een fan die duidelijk op het verkeerde moment om een handtekening kwam vragen, onder, alvorens buiten westen te gaan, liggend in zijn eigen gal.
En terwijl het verliefde koppel haar uittocht inzette en men dhr. Cackdhoos weer bij bewustzijn probeerde te brengen, brachten enkele jobstudenten het verzamelde werk van Pölvrughtt en Krotfuv naar een verlaten hoekje van de parking en zetten het in de hens. En zo kon de mensheid weer op haar beide oren slapen, althans voor een nacht.
Aldaar trof hij Marva Krotfuv, die haar boek "Mijn leven als moffenhoer" volop aan het promoten was. Ook zij leek te kampen met een zekere desinteresse vanwege Het Collectieve Geboekenwurmte.
Niet gehinderd door haar ietwat mannelijke uiterlijk, ging Korneel recht op zijn doel af.
"Marva, kind, wat zoudt gij doen mocht ik u zeggen dat ook ik enig Germaans bloed door mijn aad'ren heb lopen?"
De schrijfster bekeek hem met haar goede oog, doofde haar sigaret op zijn arm en sprak:
"Dat hangt af van de grootte uwer tros aambeien, stoere knaap..." en ze kneep een duimgrote puist temidden van haar met tatoeages gevulde voorarm uit.
Korneel veegde het uitknijpsel van zijn hemd, krabde zich in de paar plukken van schilfertjes vergeven haar die hij nog had en antwoordde stoutmoedig:
"Laat ons zeggen dat ik mijn poef overal met me meedraag, gij gort object mijner begeerte!"
Marva staakte het oppoetsen van haar glazen oog, stak het weer in haar kas en voelde nattigheid. Het soort nattigheid dat verliefde koppeltjes zo vaak voelen ter hoogte van de schaamstreek, in dit geval weliswaar gepaard gaand met een tot braakneigingen aanzettende walm.
Deze geur was ook enkele medeauteurs in de nabije omgeving niet ontgaan en alras kotste Arsène Cackdhoos, auteur van "De nare gevolgen van een vreemde achternaam", zijn boek én een fan die duidelijk op het verkeerde moment om een handtekening kwam vragen, onder, alvorens buiten westen te gaan, liggend in zijn eigen gal.
En terwijl het verliefde koppel haar uittocht inzette en men dhr. Cackdhoos weer bij bewustzijn probeerde te brengen, brachten enkele jobstudenten het verzamelde werk van Pölvrughtt en Krotfuv naar een verlaten hoekje van de parking en zetten het in de hens. En zo kon de mensheid weer op haar beide oren slapen, althans voor een nacht.
woensdag 24 september 2008
Ohrvogt
'De voordelen van een micropenis zijn - net als haar onderwerp - al bij al vrij beperkt', sprak professor Ohrvogt. 'Ik mag mezelf de niet zo trotse eigenaar van zo'n exemplaar noemen en heb mijn leven gewijd aan het bestuderen ervan. U bent hier vandaag allen aanwezig om deel te nemen aan een experiment. U heeft zich akkoord verklaard met de voorwaarden, gesteld in het contract, aangezien uw aller handtekening onderaan het formulier prijkt. Vooraleer ik de proef begin uit te leggen, zou ik graag van de gelegenheid gebruik maken u allen veel succes - maar vooral veel sterkte - toe te wensen.' De drie aanwezige dames staarden elkaar verbaasd aan.
'Het experiment houdt het volgende in: zodadelijk mag u één voor één de belendende kamer binnengaan. Aldaar aangekomen zal u een voor u vrij merkwaardig ogend apparaat aantreffen. U dient zich te ontkleden en op handen en knieën vóór het apparaat plaats te nemen. Vervolgens zal ik het vertrek binnenkomen en de prothetische (micro)penis -na deze afdoende ontsmet te hebben- bij u inbrengen. Deze zal door middel van een hydraulische pomp in staat zijn wel 70 bewegingen per minuut uit te voeren, hopelijk met een -letterlijk- bevredigend resultaat. Zijn er vragen tot hiertoe?'
Eén van de dames stak haar vinger op.
'Dus... U brengt voor alle duidelijkheid een prothetische micropenis bij ons in?'
- 'Absoluut absoluut, u hoeft niet bevreesd te zijn. Hij zal er weliswaar uitzien als een normale, vlezige penis, maar wees gerust: het is een prothese, geïntegreerd in het apparaat.'
- 'Dus u brengt niet uw eigen penis bij ons in?' vroeg een andere dame.
- 'Nee, uiteraard niet. Dat zou in strijd zijn met de deontologie. Goed, ik breng de penis dus bij u naar binnen en activeer het apparaat. Daarna wordt er getest of het apparaat in staat is u naar een euh... hoogtepunt te voeren, aldus bewijzend dat een micropenis geen handicap hoeft te zijn.'
- 'En euh... Waar zal u zich bevinden nadat het apparaat geactiveerd is?'
- 'Ik zal mij achter het apparaat bevinden, om alle data van de monitors te kunnen aflezen. U hoeft niet bang te zijn, ik zie hoogstens uw blote billen. Daarenboven ben ik een wetenschapper, mevrouw.'
- 'En is de penis van bij het begin zichtbaar?'
- 'Euh... Nee, wanneer u in de juiste positie zit, zal achter u een gleufje opengaan en daar zal de vlezige, realistisch ogende micropenis uitschuiven. Nogmaals: het betreft hier geen écht exemplaar, maar slechts een vrij briljant nagemaakte imitatie, een prothese.'
- 'Oké, want ik heb niet deelgenomen aan dit experiment om gepenetreerd te worden door een échte penis. Ik wil toch even dat u dat weet. Ik ben hier voor de valse piemel.'
Een andere dame vervolgde: 'Is het niet mogelijk het experiment uit te voeren zonder dat u aanwezig bent in de kamer? Ik denk dat ik misschien wel geremd zou kunnen zijn door uw aanwezigheid...'
- 'Mevrouw, u verstaat het niet! Ik moet toch alle data kunnen aflezen van de monitors?? Dat is enkel mogelijk wanneer ik mij achter het apparaat bevind! Goed?? En gaat u nu maar binnen, dan beginnen we eraan!'
En alras voltrok het experiment zich. De eerste twee dames konden niet bevredigd worden, hoewel dat professor Ohrvogt niet leek te deren. De gelukzalige uitdrukking op zijn gezicht was geheel in strijd met de tegenvallende resultaten. Toen de derde dame echter aan de euh... beurt was, voltrok zich een klein mirakel: een knoert van een orgasme was haar deel. Zowel zij als de professor waren extatisch na afloop.
'Mevrouw, dankzij u zullen duizenden mannen hun handicap overwinnen! Ik zou u namens hen willen feliciteren én bedanken!'
- 'Oh dat is geen probleem, professor. Het was een schitterende ervaring. Het was tenslotte alweer vier jaar geleden dat ik nog eens geneukt was; sinds ik AIDS heb, is het er namelijk niet meer van gekomen.'
'Het experiment houdt het volgende in: zodadelijk mag u één voor één de belendende kamer binnengaan. Aldaar aangekomen zal u een voor u vrij merkwaardig ogend apparaat aantreffen. U dient zich te ontkleden en op handen en knieën vóór het apparaat plaats te nemen. Vervolgens zal ik het vertrek binnenkomen en de prothetische (micro)penis -na deze afdoende ontsmet te hebben- bij u inbrengen. Deze zal door middel van een hydraulische pomp in staat zijn wel 70 bewegingen per minuut uit te voeren, hopelijk met een -letterlijk- bevredigend resultaat. Zijn er vragen tot hiertoe?'
Eén van de dames stak haar vinger op.
'Dus... U brengt voor alle duidelijkheid een prothetische micropenis bij ons in?'
- 'Absoluut absoluut, u hoeft niet bevreesd te zijn. Hij zal er weliswaar uitzien als een normale, vlezige penis, maar wees gerust: het is een prothese, geïntegreerd in het apparaat.'
- 'Dus u brengt niet uw eigen penis bij ons in?' vroeg een andere dame.
- 'Nee, uiteraard niet. Dat zou in strijd zijn met de deontologie. Goed, ik breng de penis dus bij u naar binnen en activeer het apparaat. Daarna wordt er getest of het apparaat in staat is u naar een euh... hoogtepunt te voeren, aldus bewijzend dat een micropenis geen handicap hoeft te zijn.'
- 'En euh... Waar zal u zich bevinden nadat het apparaat geactiveerd is?'
- 'Ik zal mij achter het apparaat bevinden, om alle data van de monitors te kunnen aflezen. U hoeft niet bang te zijn, ik zie hoogstens uw blote billen. Daarenboven ben ik een wetenschapper, mevrouw.'
- 'En is de penis van bij het begin zichtbaar?'
- 'Euh... Nee, wanneer u in de juiste positie zit, zal achter u een gleufje opengaan en daar zal de vlezige, realistisch ogende micropenis uitschuiven. Nogmaals: het betreft hier geen écht exemplaar, maar slechts een vrij briljant nagemaakte imitatie, een prothese.'
- 'Oké, want ik heb niet deelgenomen aan dit experiment om gepenetreerd te worden door een échte penis. Ik wil toch even dat u dat weet. Ik ben hier voor de valse piemel.'
Een andere dame vervolgde: 'Is het niet mogelijk het experiment uit te voeren zonder dat u aanwezig bent in de kamer? Ik denk dat ik misschien wel geremd zou kunnen zijn door uw aanwezigheid...'
- 'Mevrouw, u verstaat het niet! Ik moet toch alle data kunnen aflezen van de monitors?? Dat is enkel mogelijk wanneer ik mij achter het apparaat bevind! Goed?? En gaat u nu maar binnen, dan beginnen we eraan!'
En alras voltrok het experiment zich. De eerste twee dames konden niet bevredigd worden, hoewel dat professor Ohrvogt niet leek te deren. De gelukzalige uitdrukking op zijn gezicht was geheel in strijd met de tegenvallende resultaten. Toen de derde dame echter aan de euh... beurt was, voltrok zich een klein mirakel: een knoert van een orgasme was haar deel. Zowel zij als de professor waren extatisch na afloop.
'Mevrouw, dankzij u zullen duizenden mannen hun handicap overwinnen! Ik zou u namens hen willen feliciteren én bedanken!'
- 'Oh dat is geen probleem, professor. Het was een schitterende ervaring. Het was tenslotte alweer vier jaar geleden dat ik nog eens geneukt was; sinds ik AIDS heb, is het er namelijk niet meer van gekomen.'
vrijdag 19 september 2008
Klop
De deur zwaaide open. De droger waaronder Carry zijn handen hield, staakte zijn bezigheid terwijl de net binnengekomen Tjörven zijn sigaret doofde in de lavabo.
"Met die dingen krijgt ge ze nooit helemaal droog," begon Tjörven.
- "Ja..." antwoordde Carry kort.
- "Luister, genoeg met die bullshit. Daarnet zijt ge te ver gegaan, makker."
- "Het zat eraan te komen voor die teef, dat weet gij even goed als ik."
Tjörven greep Carry bij de kraag en duwde hem hardhandig tegen de deur van één van de toiletten.
"Durf mijn zuster geen teef noemen vriend, of ik verbouw uw vorte smoel tot ze er even aantrekkelijk uitziet als de gleuf van uw moeder!" schreeuwde Tjörven, die al wat ophad en van wie iedereen wist hoe kort zijn lont was, zelfs zonder alcohol.
- "Kom kom Tjörv, stelt u niet zo aan. Ge weet even goed dat de aantrekkelijkste foef van de streek die van uw vader is. Hoeveel kostte ze weer? 7 000 euro, niet? Bijna even veel als het gekost heeft om de gatbaard van uw zuster weg te laseren dus, de gorte teef."
De enige repliek die Tjörven Carry waardig achtte was de kopstoot tegen diens neus, waarna hij hem met zijn kop herhaaldelijk tegen de droger bonsde, alvorens hem weer tegen de wc-deur te smijten, die het prompt begaf. En nog had Carry zijn bekomst niet.
"Tiens, ik weet niet of het uw bedoeling is, maar hoe meer ge op mijn muil slaat, hoe meer ik op uw zuster begin te lijken."
Tjörven wist even niet wat zeggen, en van die adempauze maakte Carry gebruik om het bloed van zijn neus te vegen en vlak voor Tjörvens gezicht te gaan staan.
"De vuile hoer moet geld opbrengen Tjörv, ge weet hoe het wereldje in elkaar zit. Mokkels die niets opbrengen verdienen klop, zeker als ze geld achterhouden." En om zijn woorden kracht bij te zetten gaf hij hem een slag op het borstbeen.
Terwijl Tjörven ineenzakte van de pijn en ademnood, trapte Carry hem ettelijke keren in het gezicht.
"Ik mag er dan wel uitzien als uw zuster, maar gij begint er hoe langer hoe meer uit te zien als uw vader zijn onderkant, of wat er van overgebleven is."
Plots ging de deur van een ander toilet open en rende een jongetje van een jaar of 7-8 naar buiten.
"Godverdomme! Als die gaat praten, hang ik..." had Carry gedacht en alvorens zelf weg te willen vluchten, sleepte hij Tjörven naar één der toiletten, duwde zijn hoofd in het water en trok door. "Verdomme Tjörv, het ziet er naar uit dat deze berg stront niet meteen weggespoeld wordt...!" en weer trok hij door. En nog eens. En nog eens, waarna hij hem uit het toilet haalde en hem met zijn kop ten laatsten male tegen de rand van de wastafel duwde. Nu stak hij zijn hand in zijn zak en haalde er een breekmes uit, waarmee hij Tjörvens vingertoppen bewerkte en zijn naam in zijn handpalm kraste.
- "Ik krijg u nog wel..." stamelde de hevig bloedende Tjörven.
- "Ik kijk er al naar uit, lamlul." sprak Carry en plantte zijn hiel in de kloten zijner opponent. "Lamlul, profetische woorden, zo bleek. Nietwaar Tjörv?"
- "Kus mijn kl..." - Plots ging de bel.
- "Ge hebt hoerenchance," zei Carry, "dat we nu knutselen hebben, klootzak, of ik ging nog een tijdje door met op uw gezicht te stampen. En als ge na school niet weet wat doen, wil ik gerust nog eens naar het klimrek komen om u daar wéér op uw bakkes te geven."
Carry haalde de lolly die uit Tjörvens buideltasje stak, eruit en stak 'm in zijn mond.
"Sayonara, bitch. De knutselles wacht op mij."
Het leven op een gemeentelijke basisschool is bikkelhard.
"Met die dingen krijgt ge ze nooit helemaal droog," begon Tjörven.
- "Ja..." antwoordde Carry kort.
- "Luister, genoeg met die bullshit. Daarnet zijt ge te ver gegaan, makker."
- "Het zat eraan te komen voor die teef, dat weet gij even goed als ik."
Tjörven greep Carry bij de kraag en duwde hem hardhandig tegen de deur van één van de toiletten.
"Durf mijn zuster geen teef noemen vriend, of ik verbouw uw vorte smoel tot ze er even aantrekkelijk uitziet als de gleuf van uw moeder!" schreeuwde Tjörven, die al wat ophad en van wie iedereen wist hoe kort zijn lont was, zelfs zonder alcohol.
- "Kom kom Tjörv, stelt u niet zo aan. Ge weet even goed dat de aantrekkelijkste foef van de streek die van uw vader is. Hoeveel kostte ze weer? 7 000 euro, niet? Bijna even veel als het gekost heeft om de gatbaard van uw zuster weg te laseren dus, de gorte teef."
De enige repliek die Tjörven Carry waardig achtte was de kopstoot tegen diens neus, waarna hij hem met zijn kop herhaaldelijk tegen de droger bonsde, alvorens hem weer tegen de wc-deur te smijten, die het prompt begaf. En nog had Carry zijn bekomst niet.
"Tiens, ik weet niet of het uw bedoeling is, maar hoe meer ge op mijn muil slaat, hoe meer ik op uw zuster begin te lijken."
Tjörven wist even niet wat zeggen, en van die adempauze maakte Carry gebruik om het bloed van zijn neus te vegen en vlak voor Tjörvens gezicht te gaan staan.
"De vuile hoer moet geld opbrengen Tjörv, ge weet hoe het wereldje in elkaar zit. Mokkels die niets opbrengen verdienen klop, zeker als ze geld achterhouden." En om zijn woorden kracht bij te zetten gaf hij hem een slag op het borstbeen.
Terwijl Tjörven ineenzakte van de pijn en ademnood, trapte Carry hem ettelijke keren in het gezicht.
"Ik mag er dan wel uitzien als uw zuster, maar gij begint er hoe langer hoe meer uit te zien als uw vader zijn onderkant, of wat er van overgebleven is."
Plots ging de deur van een ander toilet open en rende een jongetje van een jaar of 7-8 naar buiten.
"Godverdomme! Als die gaat praten, hang ik..." had Carry gedacht en alvorens zelf weg te willen vluchten, sleepte hij Tjörven naar één der toiletten, duwde zijn hoofd in het water en trok door. "Verdomme Tjörv, het ziet er naar uit dat deze berg stront niet meteen weggespoeld wordt...!" en weer trok hij door. En nog eens. En nog eens, waarna hij hem uit het toilet haalde en hem met zijn kop ten laatsten male tegen de rand van de wastafel duwde. Nu stak hij zijn hand in zijn zak en haalde er een breekmes uit, waarmee hij Tjörvens vingertoppen bewerkte en zijn naam in zijn handpalm kraste.
- "Ik krijg u nog wel..." stamelde de hevig bloedende Tjörven.
- "Ik kijk er al naar uit, lamlul." sprak Carry en plantte zijn hiel in de kloten zijner opponent. "Lamlul, profetische woorden, zo bleek. Nietwaar Tjörv?"
- "Kus mijn kl..." - Plots ging de bel.
- "Ge hebt hoerenchance," zei Carry, "dat we nu knutselen hebben, klootzak, of ik ging nog een tijdje door met op uw gezicht te stampen. En als ge na school niet weet wat doen, wil ik gerust nog eens naar het klimrek komen om u daar wéér op uw bakkes te geven."
Carry haalde de lolly die uit Tjörvens buideltasje stak, eruit en stak 'm in zijn mond.
"Sayonara, bitch. De knutselles wacht op mij."
Het leven op een gemeentelijke basisschool is bikkelhard.
maandag 11 augustus 2008
Vètjkest
De beste voetballer die ik ooit de Groene Wei heb zien betreden, was de Hongaar Zoltan Vètjkest. Vètjkest was een bijzonder veelbelovende linksbuiten uit Naftbak, een dorpje op ongeveer 40km van de stad Bezze, bekend om haar talloze geitenmelkerijen (stadsleuze: "Waar we alleen de geiten blauwe tepels trekken!", fdb.), die gezegend was met een fenomenale linker. Volgens jeugdtrainers was hij reeds van kleins af aan in staat vanop 35m de pet van iemands hoofd te trappen. Eén van die trainers wist me ook te vertellen dat hij, gedurende dat ene jaar bij de Duiveltjes dat hij trainer van Vètjkest was, een abnormaal hoog aantal ballen in het kruis te verduren had gekregen. Op de vraag of Vètjkest daar iets mee te maken had, antwoordde laatstgenoemde 20 jaar na datum niet, maar een grote glimlach verried zijn antwoord.
Het verhaal van Zoltan Vètjkest leest als een roman. Geboren als oudste zoon van een rattenmelker (niet iedereen kon zich een geit veroorloven, fdb.) en een zwaar mentaal gehandicapte vrouw, groeide hij op in een piepklein appartementje boven een bordeel en... onder een ander bordeel. Hij werd voornamelijk opgevoed door de hoeren die werkzaam waren in het gebouw. Naast het verorberen van een banaan in één hap, leerden ze hem het belang van een goeie traptechniek, maar terwijl de dames die granieten trap voornamelijk etaleerden op het scrotum hunner slechte klanten, beperkte Vètjkest zich tot één bal, gemaakt van een varkensblaas gevuld met afgedragen kousen.
Op zijn 14de werd Vètjkest gedwongen te kiezen tussen een bloeiende carrière in de kattenmelkerij (zijn vader had zich intussen opgewerkt, fdb.) of een opleiding aan één van de twee sportscholen die Hongarije destijds rijk was. Hij koos voor het tweede en werd al snel gegeerd wild op de transfermarkt. Hij trok uiteindelijk naar Lever en Eendracht Muilem, waar hij nog 34 jaar lang de linkerflank afschuimde, tegenspelers in de ballen trappend, petten van het hoofd schietend en vooral: zich dood zuipend.
Het verhaal van Zoltan Vètjkest leest als een roman. Geboren als oudste zoon van een rattenmelker (niet iedereen kon zich een geit veroorloven, fdb.) en een zwaar mentaal gehandicapte vrouw, groeide hij op in een piepklein appartementje boven een bordeel en... onder een ander bordeel. Hij werd voornamelijk opgevoed door de hoeren die werkzaam waren in het gebouw. Naast het verorberen van een banaan in één hap, leerden ze hem het belang van een goeie traptechniek, maar terwijl de dames die granieten trap voornamelijk etaleerden op het scrotum hunner slechte klanten, beperkte Vètjkest zich tot één bal, gemaakt van een varkensblaas gevuld met afgedragen kousen.
Op zijn 14de werd Vètjkest gedwongen te kiezen tussen een bloeiende carrière in de kattenmelkerij (zijn vader had zich intussen opgewerkt, fdb.) of een opleiding aan één van de twee sportscholen die Hongarije destijds rijk was. Hij koos voor het tweede en werd al snel gegeerd wild op de transfermarkt. Hij trok uiteindelijk naar Lever en Eendracht Muilem, waar hij nog 34 jaar lang de linkerflank afschuimde, tegenspelers in de ballen trappend, petten van het hoofd schietend en vooral: zich dood zuipend.
woensdag 30 juli 2008
Goede smaak
Ik hou van vrouwen met goede smaak; iets wat ik betreur omdat hun goede smaak hen belet van mij te houden.
zaterdag 26 juli 2008
Botanici in het zwembad
Woefdram was niet zomaar een botanicus. Hij was een botanicus verbonden aan de Koninklijke Serres, ofte de persoonlijke achtertuin van Zijne Majesteit de Koning, die zich momenteel in het stedelijk zwembad van Wetteren bevond. Niet de koning natuurlijk, ik doelde op Woefdram. Wat zou de koning in hemelsnaam te zoeken hebben in het stedelijk zwembad van Wetteren? Wat heeft IEMAND überhaupt te zoeken in het stedelijk zwembad van Wetteren??
Een nieuwe algensoort.
Woefdram en ik kenden elkaar al lang. We hadden school gelopen aan dezelfde universiteit, hadden dezelfde echelons in ons vakgebied (planten) doorgelopen en werden beiden autoriteiten ter zake. Niet dat we elkaar kenden, laat staan tutoyeerden. Dat kwam pas veel later, een jaar of dertig geleden. Toen raakten we na afloop van een congres aan de praat, en sindsdien waren we vrienden.
Vandaag bevonden we ons in het stedelijke zwembad te Wetteren, beiden gekleed in duikerspak én labojas - want wetenschapper ben je 24 uur per dag.
"Het lijdt geen twijfel", sprak Woefdram, "dat we hier te maken hebben met ernstige algenvorming. En wat erger is: ik zou begot niet weten om welke algensoort het hier gaat."
Op zijn vraag of ik misschien wél wist welke soort het hier betrof, kon ik niet anders dan ontkennend antwoorden. Algen zijn nooit mijn ding geweest. Zeker niet als ze zich ophouden op plaatsen als het stedelijk zwembad van Wetteren. WETTEREN, in godsnaam!
- "Wat ik wél weet," antwoordde ik, "is dat niemand het lijk op de bodem van het zwembad opgemerkt heeft. Sterker nog: dat niemand de kale plek op zijn verder bijzonder behaarde rug opgemerkt heeft."
Nu ben ik sowieso al geen fan van het stedelijk zwembad van Wetteren, maar als er zich daarenboven nog eens onguur volk in schuilhoudt - dan nog lamlendig liggend op de bodem, wat in mijn ogen al helemaal geen pas geeft - en bovendien zo dood als een pier, dan kan de zaak bij deze jongen niet snel genoeg opgehelderd zijn.
"Het lijkt me dan ook evident," ging ik verder, "dat deze mysterieuze nieuwe algensoort niets meer is dan rughaar dat zich - en vergeef mij de uitdrukking - omdat het "DOOR DE BOMEN HET BOS NIET MEER ZAG" (ik als botanicus gebruik al eens gaarne een gezegde verwant aan mijn vakgebied) afgescheurd heeft van zijn of haar, of HUN (!), soortgenoten die nog steeds met hun wortels stevig in 's mans rugoppervlak staan. Eens te meer ziet men dat, ook in de wondere wereld van lichaamsbeharing, gebieden met een gigantische "bevolkingsdichtheid" niet gevrijwaard blijven van emigratie. Daarvoor moet men allerminst een aardrijks-, stedenbouwkundige of God weet wie zich in die materie verdiept, zijn.
- "Verder onderzoek zal uitsluitsel brengen", concludeerde Woefdram, waarmee wat ons betrof de kous af was.
En terwijl Woefdram zich omkleedde, haalde ik het lijk ongezien uit het water, bracht het naar de koffer van mijn wagen, en trok ook ik mijn kleren aan, na uiteraard eerst alle vocht van mijn lichaam verwijderd te hebben.
Onderweg naar huis vroeg Woefdram nog waar die penetrante geur van chloor en lijk vandaan kwam. Ik deed alsof ik niets gehoord had en prees stilzwijgend de dag dat ik die marktkramer de kop had ingeslagen.
Als hij denkt dat ik zin heb om keer op keer nieuwe algensoorten te ontdekken vergist hij zich, godverdomme...!
Een nieuwe algensoort.
Woefdram en ik kenden elkaar al lang. We hadden school gelopen aan dezelfde universiteit, hadden dezelfde echelons in ons vakgebied (planten) doorgelopen en werden beiden autoriteiten ter zake. Niet dat we elkaar kenden, laat staan tutoyeerden. Dat kwam pas veel later, een jaar of dertig geleden. Toen raakten we na afloop van een congres aan de praat, en sindsdien waren we vrienden.
Vandaag bevonden we ons in het stedelijke zwembad te Wetteren, beiden gekleed in duikerspak én labojas - want wetenschapper ben je 24 uur per dag.
"Het lijdt geen twijfel", sprak Woefdram, "dat we hier te maken hebben met ernstige algenvorming. En wat erger is: ik zou begot niet weten om welke algensoort het hier gaat."
Op zijn vraag of ik misschien wél wist welke soort het hier betrof, kon ik niet anders dan ontkennend antwoorden. Algen zijn nooit mijn ding geweest. Zeker niet als ze zich ophouden op plaatsen als het stedelijk zwembad van Wetteren. WETTEREN, in godsnaam!
- "Wat ik wél weet," antwoordde ik, "is dat niemand het lijk op de bodem van het zwembad opgemerkt heeft. Sterker nog: dat niemand de kale plek op zijn verder bijzonder behaarde rug opgemerkt heeft."
Nu ben ik sowieso al geen fan van het stedelijk zwembad van Wetteren, maar als er zich daarenboven nog eens onguur volk in schuilhoudt - dan nog lamlendig liggend op de bodem, wat in mijn ogen al helemaal geen pas geeft - en bovendien zo dood als een pier, dan kan de zaak bij deze jongen niet snel genoeg opgehelderd zijn.
"Het lijkt me dan ook evident," ging ik verder, "dat deze mysterieuze nieuwe algensoort niets meer is dan rughaar dat zich - en vergeef mij de uitdrukking - omdat het "DOOR DE BOMEN HET BOS NIET MEER ZAG" (ik als botanicus gebruik al eens gaarne een gezegde verwant aan mijn vakgebied) afgescheurd heeft van zijn of haar, of HUN (!), soortgenoten die nog steeds met hun wortels stevig in 's mans rugoppervlak staan. Eens te meer ziet men dat, ook in de wondere wereld van lichaamsbeharing, gebieden met een gigantische "bevolkingsdichtheid" niet gevrijwaard blijven van emigratie. Daarvoor moet men allerminst een aardrijks-, stedenbouwkundige of God weet wie zich in die materie verdiept, zijn.
- "Verder onderzoek zal uitsluitsel brengen", concludeerde Woefdram, waarmee wat ons betrof de kous af was.
En terwijl Woefdram zich omkleedde, haalde ik het lijk ongezien uit het water, bracht het naar de koffer van mijn wagen, en trok ook ik mijn kleren aan, na uiteraard eerst alle vocht van mijn lichaam verwijderd te hebben.
Onderweg naar huis vroeg Woefdram nog waar die penetrante geur van chloor en lijk vandaan kwam. Ik deed alsof ik niets gehoord had en prees stilzwijgend de dag dat ik die marktkramer de kop had ingeslagen.
Als hij denkt dat ik zin heb om keer op keer nieuwe algensoorten te ontdekken vergist hij zich, godverdomme...!
vrijdag 25 juli 2008
Het duel
"Schiet dan, lafbek! Uw grimas verraadt de kramp in uw arm!" Cowboy Frans had er nu wel schoon genoeg van.
- "Ha!" antwoordde cowboy Jos, die tegenover hem stond, maar dan enkele meters verder, "Ik kan langer wachten dan gij, gij scabreuze vuilak! Uw kop is reeds in dermate vergevorderde staat van verbranding dat de huid uwer voorhoofd in lange reepjes van uw gezicht valt!"
- "Ha! Dat is slechts schijn, gij overmaatse gatpuist dat ge daar staat! Ik heb voor aanvang van dit duel mijn kop met een rol isolatie, ge weet wel, van die glaswol of hoe noemt het, ingewreven en DAT is de verklaring voor de roodheid mijner kop! Wat hebt ge daar op te zeggen, schalkse schavuit van kus mijn gat?!"
- "Ha! Dat verklaart nog steeds niet waarom die reepkens vel het vette, ongewassen, van etterende puisten vergeven oppervlak uwer kop ontvluchten!"
- "Ha! Omdat ik na die rol isolatie ook met een eenvoudige kaasrasp langs mijn voorhoofd gewreven heb!"
Dat was voor Jos de plots opgedoken stortvlaag die de emmer deed overlopen. Frans was zich er terdege van bewust geweest dat Jos' eerste wijf destijds omgekomen was bij een bizar kaasraspongeval. Overmand door woede ging Jos verbaal in de tegenaanval, en dat Frans er zou van gaan lusten, dat stond buiten kijf!
- "Dit zet ik u betaald, gij... gij... schaap!"
- "Schaap?"
- "Trek van leer, gij vuile... notaris!"
- "Notaris? Schaap?! Wat... hoe... huh??"
- "Baguette! Flitspaal! Stropdas!"
Frans leek wel aan de grond genageld.
- "Ha! Ja! Nu... Nu staat ge daar schoon, he! Met uw gezicht zodanig opgespannen dat uw neusbeen alle minuten kan barsten onder de fenomenale druk die uw gezichtsspieren erop uitoefenen, gij...!
- (in zichzelf mijmerend) "St-stropdas...?"
- "Schiet dan!"
- "Schiet gij! Wat let u, gij hoerenlopende strontschepper?!"
Bijna had Jos geschoten en was het gedaan met de vete tussen beide cowboys die het kleine dorpje reeds 52 jaar in haar greep hield, doch Jos kon zich beheersen.
- "Eerst wil ik mijn drie knikkers - waaronder één superkabel - terug!"
De spanning bereikte haar hoogtepunt. Het was eruit. De laatste aanwezige dorpsbewoners - de weinigen die over dermate stalen zenuwen beschikten die maakten dat zij dit duel hadden kunnen blijven aanschouwen - zochten dekking. Mensen die vanuit een raam hadden toegekeken, sloten dit en maanden hun kinderen aan onder het bed te kruipen, of toch minstens een pan of pot op het hoofd te zetten ter bescherming van... ja, van God weet wat, maar positief zou het niet zijn!
- "Nooit! Nooit ziet ge uw knikkers terug! Ik heb u destijds gezegd dat sjoezen niet mocht! En toch deed ge het, gij vermaledijde klootzak! Ge dacht dat ik het niet in het snotje had, omdat ik net de hoek aan het berekenen was waaronder ge diende te schieten om mijn knikker te raken, omdat hij achter een klein steentje lag en ge hem normaal nooit kon raken, WAT OOK NIET GEBEURD IS want schampen is niet raken! Maar ik heb het gezien, gij mongoloïde castraat met uw rotsmoel en uw vorte snor die ge weigert uit te wassen! Sjoezen mocht niet!"
- "Sjoezen mocht wél! Zo speelde ik altijd! Dat was geweten!"
- "Oh! Hoe durft ge het zo schaamteloos uit uw mond kakken - want DAT IS HET!! - gij manke potloodventer van het zevende knoopsgat! Schiet, zeg ik u!"
- "Nooit!"
- "Als ge niet gaat maken dat ge uw knikker geschoten hebt, dan blijft deze vete eeuwig duren, en ge weet wat onze wijven gezegd hebben!"
- "Ik weet het, ik weet het... 'Hoe zit dat nu met die knikkerwedstrijd? Is die nu eigenlijk al afgelopen? En zo ja, hebt ge gewonnen?'"
- "'...en als ge niet wint, moet ge niet denken dat ge nog één keer mijn pruim moogt aanschouwen. Geen losers in mijn bed!'"
- "Klotewijven..."
- "Amai nog niet... Kom schiet jong, dat we hier weg zijn... Als ge mijn merbol raakt, geef ik u drie knikkers en misschien - het hangt er van af hoe haar pruim er vanavond bijhangt - eveneens mijn wijf"
Moegestreden legde Jos aan. Niet zozeer omdat hij zijn eigen - tweede! - wijf beu was en de pruim van Frans' wijf toch minstens 2cm - en dat was dan nog bij lichte wind! - verder van haar knieën verwijderd was, wat dus een best aardige vooruitgang was ten opzichte van de preut zijner wijf, die zich stilaan ter hoogte van haar schenen (!) bevond, maar om de vete te beëindigen en, wie weet, zijn lang ontbeerde knikkers te heroveren.
Net toen de knikker Jos' hand verliet, schreeuwde Frans: "Gesjoesd! Vuile smeerlap...!" En terwijl een regen van vuisten op cowboy Jos nederdaalde, raakte zijn knikker die van Frans.
Maar het was reeds te laat. Toen beide mannen uren later weer bij bewustzijn kwamen, waren beider huisdeuren en -ramen vergrendeld, beide knikkers verdwenen en was er geen preut te zien.
En daar kon geen lichte wind iets aan veranderen.
- "Ha!" antwoordde cowboy Jos, die tegenover hem stond, maar dan enkele meters verder, "Ik kan langer wachten dan gij, gij scabreuze vuilak! Uw kop is reeds in dermate vergevorderde staat van verbranding dat de huid uwer voorhoofd in lange reepjes van uw gezicht valt!"
- "Ha! Dat is slechts schijn, gij overmaatse gatpuist dat ge daar staat! Ik heb voor aanvang van dit duel mijn kop met een rol isolatie, ge weet wel, van die glaswol of hoe noemt het, ingewreven en DAT is de verklaring voor de roodheid mijner kop! Wat hebt ge daar op te zeggen, schalkse schavuit van kus mijn gat?!"
- "Ha! Dat verklaart nog steeds niet waarom die reepkens vel het vette, ongewassen, van etterende puisten vergeven oppervlak uwer kop ontvluchten!"
- "Ha! Omdat ik na die rol isolatie ook met een eenvoudige kaasrasp langs mijn voorhoofd gewreven heb!"
Dat was voor Jos de plots opgedoken stortvlaag die de emmer deed overlopen. Frans was zich er terdege van bewust geweest dat Jos' eerste wijf destijds omgekomen was bij een bizar kaasraspongeval. Overmand door woede ging Jos verbaal in de tegenaanval, en dat Frans er zou van gaan lusten, dat stond buiten kijf!
- "Dit zet ik u betaald, gij... gij... schaap!"
- "Schaap?"
- "Trek van leer, gij vuile... notaris!"
- "Notaris? Schaap?! Wat... hoe... huh??"
- "Baguette! Flitspaal! Stropdas!"
Frans leek wel aan de grond genageld.
- "Ha! Ja! Nu... Nu staat ge daar schoon, he! Met uw gezicht zodanig opgespannen dat uw neusbeen alle minuten kan barsten onder de fenomenale druk die uw gezichtsspieren erop uitoefenen, gij...!
- (in zichzelf mijmerend) "St-stropdas...?"
- "Schiet dan!"
- "Schiet gij! Wat let u, gij hoerenlopende strontschepper?!"
Bijna had Jos geschoten en was het gedaan met de vete tussen beide cowboys die het kleine dorpje reeds 52 jaar in haar greep hield, doch Jos kon zich beheersen.
- "Eerst wil ik mijn drie knikkers - waaronder één superkabel - terug!"
De spanning bereikte haar hoogtepunt. Het was eruit. De laatste aanwezige dorpsbewoners - de weinigen die over dermate stalen zenuwen beschikten die maakten dat zij dit duel hadden kunnen blijven aanschouwen - zochten dekking. Mensen die vanuit een raam hadden toegekeken, sloten dit en maanden hun kinderen aan onder het bed te kruipen, of toch minstens een pan of pot op het hoofd te zetten ter bescherming van... ja, van God weet wat, maar positief zou het niet zijn!
- "Nooit! Nooit ziet ge uw knikkers terug! Ik heb u destijds gezegd dat sjoezen niet mocht! En toch deed ge het, gij vermaledijde klootzak! Ge dacht dat ik het niet in het snotje had, omdat ik net de hoek aan het berekenen was waaronder ge diende te schieten om mijn knikker te raken, omdat hij achter een klein steentje lag en ge hem normaal nooit kon raken, WAT OOK NIET GEBEURD IS want schampen is niet raken! Maar ik heb het gezien, gij mongoloïde castraat met uw rotsmoel en uw vorte snor die ge weigert uit te wassen! Sjoezen mocht niet!"
- "Sjoezen mocht wél! Zo speelde ik altijd! Dat was geweten!"
- "Oh! Hoe durft ge het zo schaamteloos uit uw mond kakken - want DAT IS HET!! - gij manke potloodventer van het zevende knoopsgat! Schiet, zeg ik u!"
- "Nooit!"
- "Als ge niet gaat maken dat ge uw knikker geschoten hebt, dan blijft deze vete eeuwig duren, en ge weet wat onze wijven gezegd hebben!"
- "Ik weet het, ik weet het... 'Hoe zit dat nu met die knikkerwedstrijd? Is die nu eigenlijk al afgelopen? En zo ja, hebt ge gewonnen?'"
- "'...en als ge niet wint, moet ge niet denken dat ge nog één keer mijn pruim moogt aanschouwen. Geen losers in mijn bed!'"
- "Klotewijven..."
- "Amai nog niet... Kom schiet jong, dat we hier weg zijn... Als ge mijn merbol raakt, geef ik u drie knikkers en misschien - het hangt er van af hoe haar pruim er vanavond bijhangt - eveneens mijn wijf"
Moegestreden legde Jos aan. Niet zozeer omdat hij zijn eigen - tweede! - wijf beu was en de pruim van Frans' wijf toch minstens 2cm - en dat was dan nog bij lichte wind! - verder van haar knieën verwijderd was, wat dus een best aardige vooruitgang was ten opzichte van de preut zijner wijf, die zich stilaan ter hoogte van haar schenen (!) bevond, maar om de vete te beëindigen en, wie weet, zijn lang ontbeerde knikkers te heroveren.
Net toen de knikker Jos' hand verliet, schreeuwde Frans: "Gesjoesd! Vuile smeerlap...!" En terwijl een regen van vuisten op cowboy Jos nederdaalde, raakte zijn knikker die van Frans.
Maar het was reeds te laat. Toen beide mannen uren later weer bij bewustzijn kwamen, waren beider huisdeuren en -ramen vergrendeld, beide knikkers verdwenen en was er geen preut te zien.
En daar kon geen lichte wind iets aan veranderen.
zondag 20 juli 2008
Rolvaag
We troffen Torben Rolvaag aan, 22 meter hoog in het gebladerte van het Braziliaanse regenwoud. Ik en de zeven andere reddingswerkers waren elf dagen voordien vertrokken, op zoek naar de Deense natuurfotograaf. Er was in geen dagen radiocontact geweest en men wilde niets aan het toeval overlaten.
"Meneer Rolvaag! Bent u het?! Hoort u mij?!"
- "De koffie mag je op het dressoir achterlaten, Lena, dank je!"
Rolvaag stond bekend om zijn wereldvreemdheid, en zijn verstrooidheid was schier legendarisch. Legendarisch voor de grote massa, maar toch vooral strontvervelend als je er net elf dagen jungle hebt opzitten.
Later onderzoek bracht aan het licht dat Lena zijn huishoudster was, die overigens veertien jaar voordien al de pijp aan Maarten had gegeven. Toen Rolvaag destijds de stront onder haar opgehangen lichaam aantrof, was zijn eerste en enige opmerking dat Lena die dag blijkbaar een plekje vergeten kuisen was, en dat dit zich zou vertalen in een ernstige reprimande dan wel een lichte doch duidelijk voelbare salarisverlaging. Pas toen Lena twee dagen later nog steeds niet was komen opdagen en desbetreffend plekje een nu toch echt niet meer te harden geur verspreidde, had hij haar koude, reeds opgesteven lichaam opgemerkt. Zijn hoofdbekommernis was of hij haar die laatste twee dagen nog moest uitbetalen of niet.
Om maar een voorbeeld te geven van zijn verstrooidheid. Hardvochtig was hij allerminst.
"U begrijpt de situatie niet, meneer Rolvaag! Wij zijn een reddingsteam, op zoek naar u! We hebben net elf dage..."
- "Het dressoir wacht op de koffie, Lena."
Eén van de andere reddingswerkers - nét degene die een testikel was kwijtgespeeld toen hij twee dagen eerder, kniehoog in het water van de Amazone staand in diezelfde rivier stond te pissen en verrast werd door een school piranha's - verloor zijn geduld.
- "Hoepel toch op met uw Lena, ouwe sok!! Maakt dat ge beneden zijt of ik kom naar boven!!"
- "Rustig Branca, denk aan die etterende wonde ter hoogte van je scrotum... Stress is wel het laatste wat je wil in dergelijke situaties."
- "Ja," onderbrak Volders, de zelfverklaarde grappenmaker van het team, "want eens die bal (!) aan het rollen gaat..."
Nadat Volders K.O. gegaan was en de zeven anderen een plan bedacht hadden - zijnde dat iemand van ons naar Rolvaag toe zou klimmen - besloten we over te gaan tot de meest democratische selectiemethode in dit universum:
O'Brien (de expeditieleider): "Goed, ik heb een getal tussen één en vijftig in mijn hoofd..."
Branca (de ei zo na geheel ontmande rivierpisser): "Eén en vijftig?! Per bacco! Is dat niet een beetje overdreven?"
O'Brien: "Luister vriend! Als ge uw andere bal ook de Amazone wilt zien invliegen, moet ge het maar zeggen!"
Branca: "Oké oké..."
Ik (mezelf): "Jamaar wacht, wie mag er dan eerst kiezen?"
Mercer (de toxicoloog): "We kunnen misschien eerst daar om loten om dan..."
Ik: "...nog een tweede keer te loten om wie nu uiteindelijk (letterlijk) de boom in kan?"
Mercer: "I see your point..."
Branca: "Jamaar wacht, ik heb er hier al een bal bij ingeschoten! Ik vind dat ik sowieso vrijgesteld ben van deze klus..."
Klinge (de antropoloog): "Aber... Waart gij het niet die hem zou komen halen als hij niet snel uit die boom zou komen?"
Branca: "Euh... ja, maar..."
O'Brien: "Ja kom, 't is al goed. Laat dat Italiaanse grietje maar beneden. Ge weet nooit dat hij - met wat er nog van zijn zak overblijft - aan een tros bananen blijft haken en hij helemaal niks meer heeft tegen dat hij weer beneden is..."
Volders (die ondertussen weer bijgekomen was): "Hahahaha!"
...waarop Branca Volders ten tweede male K.O. sloeg.
Klinge: "Dat zijn er dan al twee die niet naar boven moeten..."
O'Brien: "Hoe zit het?! De Backer! Begint gij!"
Ik: "Euh... achtenveertig?"
O'Brien: "Juist!! Begin maar te klimmen..."
Een uur later zat ik op een tak, anderhalve meter verwijderd van Rolvaag, die niet op een tak zat maar hoog boven de Braziliaanse grond bengelde, hangend aan een katrol, en momenteel druk bezig wanhopig door de lens zijner camera te turen.
"Zo, daar zijn we dan, meneer Rolvaag."
- "Huh? Wat? Wie bent u?"
Na hem het hele verhaal gedaan te hebben, besloot hij dat alleen hijzelf, hoogstpersoonlijk, naar de buitenwereld toe, licht zou kunnen laten schijnen op deze zaak. Eenmaal beneden (ik zat nog boven, aangezien twee man tegelijk laten afdalen nogal riskant was) herinnerde hij zich echter dat zijn kist met materiaal en verzamelde specimens zich nog boven in het bladerdak van het woud bevond.
"Bevestig ze maar aan de katrol, jongeman, en laat maar komen!"
Ik deed wat me gevraagd werd, verwachtend dat Rolvaag niet langer bevestigd was aan het andere uiteinde van het touw. Helaas. In zijn verstrooidheid was Rolvaag vergeten zich uit het harnas te bevrijden, en terwijl de kist, die nu allicht véél zwaarder was dan voordien en het gewicht van de tengere Rolvaag zonder twijfel overschreed, naar beneden stortte, schoot Rolvaag, nog steeds gezeten in het harnas en het touw nog in de hand, als een pijl omhoog.
Toen de kist (half vernield) beneden was, zat Rolvaag dus bovenin het gebladerte, met zijn vingers verbrijzeld tussen de katrol. Doordat de kist half vernield was en de inhoud ervan deels verspreid lag op de bodem van het woud, woog ze intussen weer minder dan de onfortuinlijke fotograaf, waardoor zij weer ten hemel opsteeg en Rolvaag, wiens vingers uitgerukt werden door zijn eigen gewicht, de andere kant opging. Na nog een klap van onder gekregen te hebben (van de opstijgende kisthelft), kwam hij onzacht neer op Braziliaanse bodem. Snel verwijderden we het harnas om hem eerste hulp toe te dienen, maar helaas was het harnas nog verbonden met het touw en viel hierdoor de halve kist weer helemaal naar beneden. Recht op het hoofd van dhr. Rolvaag.
Op slag dood.
Bij onze aankomst in Brasilia, elf dagen later, hadden wij van de reddingsploeg dan ook maar één ding te zeggen: "Geen spoor van Rolvaag..."
"Meneer Rolvaag! Bent u het?! Hoort u mij?!"
- "De koffie mag je op het dressoir achterlaten, Lena, dank je!"
Rolvaag stond bekend om zijn wereldvreemdheid, en zijn verstrooidheid was schier legendarisch. Legendarisch voor de grote massa, maar toch vooral strontvervelend als je er net elf dagen jungle hebt opzitten.
Later onderzoek bracht aan het licht dat Lena zijn huishoudster was, die overigens veertien jaar voordien al de pijp aan Maarten had gegeven. Toen Rolvaag destijds de stront onder haar opgehangen lichaam aantrof, was zijn eerste en enige opmerking dat Lena die dag blijkbaar een plekje vergeten kuisen was, en dat dit zich zou vertalen in een ernstige reprimande dan wel een lichte doch duidelijk voelbare salarisverlaging. Pas toen Lena twee dagen later nog steeds niet was komen opdagen en desbetreffend plekje een nu toch echt niet meer te harden geur verspreidde, had hij haar koude, reeds opgesteven lichaam opgemerkt. Zijn hoofdbekommernis was of hij haar die laatste twee dagen nog moest uitbetalen of niet.
Om maar een voorbeeld te geven van zijn verstrooidheid. Hardvochtig was hij allerminst.
"U begrijpt de situatie niet, meneer Rolvaag! Wij zijn een reddingsteam, op zoek naar u! We hebben net elf dage..."
- "Het dressoir wacht op de koffie, Lena."
Eén van de andere reddingswerkers - nét degene die een testikel was kwijtgespeeld toen hij twee dagen eerder, kniehoog in het water van de Amazone staand in diezelfde rivier stond te pissen en verrast werd door een school piranha's - verloor zijn geduld.
- "Hoepel toch op met uw Lena, ouwe sok!! Maakt dat ge beneden zijt of ik kom naar boven!!"
- "Rustig Branca, denk aan die etterende wonde ter hoogte van je scrotum... Stress is wel het laatste wat je wil in dergelijke situaties."
- "Ja," onderbrak Volders, de zelfverklaarde grappenmaker van het team, "want eens die bal (!) aan het rollen gaat..."
Nadat Volders K.O. gegaan was en de zeven anderen een plan bedacht hadden - zijnde dat iemand van ons naar Rolvaag toe zou klimmen - besloten we over te gaan tot de meest democratische selectiemethode in dit universum:
O'Brien (de expeditieleider): "Goed, ik heb een getal tussen één en vijftig in mijn hoofd..."
Branca (de ei zo na geheel ontmande rivierpisser): "Eén en vijftig?! Per bacco! Is dat niet een beetje overdreven?"
O'Brien: "Luister vriend! Als ge uw andere bal ook de Amazone wilt zien invliegen, moet ge het maar zeggen!"
Branca: "Oké oké..."
Ik (mezelf): "Jamaar wacht, wie mag er dan eerst kiezen?"
Mercer (de toxicoloog): "We kunnen misschien eerst daar om loten om dan..."
Ik: "...nog een tweede keer te loten om wie nu uiteindelijk (letterlijk) de boom in kan?"
Mercer: "I see your point..."
Branca: "Jamaar wacht, ik heb er hier al een bal bij ingeschoten! Ik vind dat ik sowieso vrijgesteld ben van deze klus..."
Klinge (de antropoloog): "Aber... Waart gij het niet die hem zou komen halen als hij niet snel uit die boom zou komen?"
Branca: "Euh... ja, maar..."
O'Brien: "Ja kom, 't is al goed. Laat dat Italiaanse grietje maar beneden. Ge weet nooit dat hij - met wat er nog van zijn zak overblijft - aan een tros bananen blijft haken en hij helemaal niks meer heeft tegen dat hij weer beneden is..."
Volders (die ondertussen weer bijgekomen was): "Hahahaha!"
...waarop Branca Volders ten tweede male K.O. sloeg.
Klinge: "Dat zijn er dan al twee die niet naar boven moeten..."
O'Brien: "Hoe zit het?! De Backer! Begint gij!"
Ik: "Euh... achtenveertig?"
O'Brien: "Juist!! Begin maar te klimmen..."
Een uur later zat ik op een tak, anderhalve meter verwijderd van Rolvaag, die niet op een tak zat maar hoog boven de Braziliaanse grond bengelde, hangend aan een katrol, en momenteel druk bezig wanhopig door de lens zijner camera te turen.
"Zo, daar zijn we dan, meneer Rolvaag."
- "Huh? Wat? Wie bent u?"
Na hem het hele verhaal gedaan te hebben, besloot hij dat alleen hijzelf, hoogstpersoonlijk, naar de buitenwereld toe, licht zou kunnen laten schijnen op deze zaak. Eenmaal beneden (ik zat nog boven, aangezien twee man tegelijk laten afdalen nogal riskant was) herinnerde hij zich echter dat zijn kist met materiaal en verzamelde specimens zich nog boven in het bladerdak van het woud bevond.
"Bevestig ze maar aan de katrol, jongeman, en laat maar komen!"
Ik deed wat me gevraagd werd, verwachtend dat Rolvaag niet langer bevestigd was aan het andere uiteinde van het touw. Helaas. In zijn verstrooidheid was Rolvaag vergeten zich uit het harnas te bevrijden, en terwijl de kist, die nu allicht véél zwaarder was dan voordien en het gewicht van de tengere Rolvaag zonder twijfel overschreed, naar beneden stortte, schoot Rolvaag, nog steeds gezeten in het harnas en het touw nog in de hand, als een pijl omhoog.
Toen de kist (half vernield) beneden was, zat Rolvaag dus bovenin het gebladerte, met zijn vingers verbrijzeld tussen de katrol. Doordat de kist half vernield was en de inhoud ervan deels verspreid lag op de bodem van het woud, woog ze intussen weer minder dan de onfortuinlijke fotograaf, waardoor zij weer ten hemel opsteeg en Rolvaag, wiens vingers uitgerukt werden door zijn eigen gewicht, de andere kant opging. Na nog een klap van onder gekregen te hebben (van de opstijgende kisthelft), kwam hij onzacht neer op Braziliaanse bodem. Snel verwijderden we het harnas om hem eerste hulp toe te dienen, maar helaas was het harnas nog verbonden met het touw en viel hierdoor de halve kist weer helemaal naar beneden. Recht op het hoofd van dhr. Rolvaag.
Op slag dood.
Bij onze aankomst in Brasilia, elf dagen later, hadden wij van de reddingsploeg dan ook maar één ding te zeggen: "Geen spoor van Rolvaag..."
zondag 6 juli 2008
Maandagmorgen
Maandagmorgen. 8u56. Binnen vier minuten begint de les. Nog snel even naar het toilet. Ik loop de toiletten binnen en ga voor één der pissijnen staan. Rits open en de rakker bovenhalen. Tiens, wat is dat? Hm... Het is vast niets. Oh, even genieten. Niets zo leuk als uitgesteld wateren. Geklater op het porcelein. Twee-drie keer uitschudden, rits toe en weg. Of nee, toch nog even in de spiegel kijken. Puistje uitknijpen. Bah. Gekrabbel op de muur. 'Els is een hoer!' Ongetwijfeld. Ik ken geen Els. En zelfs al kende ik een Els, geld heb ik toch niet. En de behoefte om mij op te houden in het gezelschap van hoeren al evenmin.
Toch even de handen wassen. Het is niet mijn gewoonte. 't Is tenslotte mijn piemel; vuil vind ik 'm niet. En op mijn handen pissen doe ik ook niet. Ik zie niet goed in waarom ik dat zou doen. En als anderen op hun handen pissen, waarom moet ik dan de mijne wassen, als ze toch vuil gaan worden?
Man, je ziet er slecht uit. Doe er iets aan. Ja, maar wat. Ik heb geen probleem met hoe ik er uit zie, het zijn de mokkels die er een probleem van maken. Stomme wijven.
Handen afdrogen en snel de speelplaats over. 8u59. Nog één minuut en de klucht gaat weer beginnen. Wat zit ik hier te doen? Ik kan wat ik zou willen doen, maar ik heb een stukje papier nodig om het te mogen doen. En maar buizen. Liever pieken en dalen dan voor alles net de helft halen. Extra leren? Liever wat genieten van mijn jeugd, nu ik nog kan.
Niemand wil een middenmoter. Je moet je talenten uitbuiten. Wat je niet kan, is niet aan je besteed. Wat ben je er mee als je het toch niet kan? Het klopt niet. Het hele systeem klopt niet.
De bel. Naar het lokaal slenteren. Die en die eikel zien. Toch hallo zeggen. Ze zijn zo slecht nog niet. Mijn humeur daarentegen.
Het boeit me niet, mens. En jou nog veel minder blijkbaar. Zelden zo'n gebrek aan motivatie gezien. Als het jou niet interesseert of we het kennen of niet, waarom moeten we dan ons jaar overdoen als we één percent te weinig halen voor je slecht uitgelegd strontvak? X en y, wat kan het mij bommen. Wat zijn die letters? Een letter is een klank, geen verrekt cijfer. Waarom dingen verzinnen die ze niet zijn.
Ah, x is 14. Al een geluk! Ik zou vannacht niet kunnen slapen hebben, als ik het niet had geweten. Kut. En 14 wat? 14 patatten of 14 dampende paardenvijgen? Want ik zou weten wat te kiezen als mijn moeder ze vanavond op mijn bord legt. Nee, 14, punt. 14 niets.
Dan maar wat naar Lotte kijken. Mooi meisje. Niets voor mij. Of nee, ik niets voor haar. Spijtig van de oorringen, maar al bij al vallen ze nog mee. Naturel is beter.
Tjonge jonge, wat ik met haar zou doen... Ho, oppassen maat. Straks is de les weer gedaan en moet je de klas uit. En dus rechtstaan. Gaat nogal moeilijk met een bescheiden bobbel.
Dooie katten, dooie katten, dooie katten, dooie katten, dooie katten. Demis Roussos, bloot op de sofa. Pfioew.
Agenda. Lesonderwerp: Shit. Tegen morgen: méér shit. Overschrijven van Jan.
De bel. Engels. Valt al bij al nog mee. Niets nieuws, maar ach, 't is gelukkig geen wiskunde. Leerkracht ziek. Studie.
Briefjes schrijven naar medestudentes. Lotte? Nee, daarvoor ken ik haar niet genoeg. Vindt ze vast raar. 'Hey! Dag schoonheid, alles ok?' Schoonheid... Vinden ze altijd grappig. Het is dan ook totaal van de pot gerukt. Wie spreekt nu op zo'n manier iemand aan?
Hm, die nagel is nogal lang. Even bijwerken. Zo, beter. Antwoord! 'Ja hoor, met jou? Je ziet er nogal somber uit vandaag.' Somber. Valt wel mee. Beetje slechtgezind, maar het betert. Blij dat ik jou heb. 'Ach, gaat wel. Hoe gaat het op amoureus vlak?' Toch eens polsen. Ik maak dan wel geen kans, maar ik mag toch dromen?
'Een lief sinds dit weekend!' en dan een hele uitleg over hoe mooi en leuk hij wel is. Wil ik niet weten. Vertel mij liever hoe mooi en leuk je mij vindt. Nog nooit een zwarte op een fiets gezien. Hoe kom ik daar ineens bij? Toch eens op beginnen letten. En niet weerschrijven naar dat meisje. Mijn interesse stopt waar andere jongens in haar leven beginnen.
Waar zit Lotte ergens? Links vooraan. Spijtig dat ik haar gezicht niet zie. Dat kleedje staat haar wel goed. Ik heb het voor kleedjes. Mooie rug. Mooie nek. Ik heb het voor vrouwennekken.
Een zwarte in een massasprint. Hehe. Ik heb het voor zwarten. Ik versta geen racisten. Was ik maar zwart.
Tekenen. Cartoontje. Hm... De handen zijn iets te klein. Maakt niet zo veel uit, maar toch... Doorgeven naar Bert. 'Geniaal!' onderaan het blad. Yes.
Is blauw dezelfde kleur voor hen als voor mij? Zien zij blauw niet als rood? En is blauw voor hen dan een warme kleur? En rood een koude?
Eén zandkorrel is onzichtbaar op een strand. Wat als ons melkwegstelsel één korrel zand is op een veel groter strand. En er dus nog veel meer is dan dat strand?
Die vlieg gaat er van hebben. Ja! Dood. Vreemd. Ik zou het niet mogen doen. De macht om te beslissen over leven en dood. Wat als vliegen écht meer voelen dan wij denken dat ze voelen? Op een heel ander niveau. Kalmaan, 't Is nog maar maandagmorgen. Dit is niet het moment om... De bel. Nu al? Vreemd.
Balletje trappen met de maten. Wel niet te actief. Geen zin in zweet. Me niet kunnen inhouden. Zwetend de klas weer binnenkomen.
Dit is niets voor mij. Later wordt alles beter. Cartoontje tekenen. Mislukt. Opnieuw beginnen.
Toch even de handen wassen. Het is niet mijn gewoonte. 't Is tenslotte mijn piemel; vuil vind ik 'm niet. En op mijn handen pissen doe ik ook niet. Ik zie niet goed in waarom ik dat zou doen. En als anderen op hun handen pissen, waarom moet ik dan de mijne wassen, als ze toch vuil gaan worden?
Man, je ziet er slecht uit. Doe er iets aan. Ja, maar wat. Ik heb geen probleem met hoe ik er uit zie, het zijn de mokkels die er een probleem van maken. Stomme wijven.
Handen afdrogen en snel de speelplaats over. 8u59. Nog één minuut en de klucht gaat weer beginnen. Wat zit ik hier te doen? Ik kan wat ik zou willen doen, maar ik heb een stukje papier nodig om het te mogen doen. En maar buizen. Liever pieken en dalen dan voor alles net de helft halen. Extra leren? Liever wat genieten van mijn jeugd, nu ik nog kan.
Niemand wil een middenmoter. Je moet je talenten uitbuiten. Wat je niet kan, is niet aan je besteed. Wat ben je er mee als je het toch niet kan? Het klopt niet. Het hele systeem klopt niet.
De bel. Naar het lokaal slenteren. Die en die eikel zien. Toch hallo zeggen. Ze zijn zo slecht nog niet. Mijn humeur daarentegen.
Het boeit me niet, mens. En jou nog veel minder blijkbaar. Zelden zo'n gebrek aan motivatie gezien. Als het jou niet interesseert of we het kennen of niet, waarom moeten we dan ons jaar overdoen als we één percent te weinig halen voor je slecht uitgelegd strontvak? X en y, wat kan het mij bommen. Wat zijn die letters? Een letter is een klank, geen verrekt cijfer. Waarom dingen verzinnen die ze niet zijn.
Ah, x is 14. Al een geluk! Ik zou vannacht niet kunnen slapen hebben, als ik het niet had geweten. Kut. En 14 wat? 14 patatten of 14 dampende paardenvijgen? Want ik zou weten wat te kiezen als mijn moeder ze vanavond op mijn bord legt. Nee, 14, punt. 14 niets.
Dan maar wat naar Lotte kijken. Mooi meisje. Niets voor mij. Of nee, ik niets voor haar. Spijtig van de oorringen, maar al bij al vallen ze nog mee. Naturel is beter.
Tjonge jonge, wat ik met haar zou doen... Ho, oppassen maat. Straks is de les weer gedaan en moet je de klas uit. En dus rechtstaan. Gaat nogal moeilijk met een bescheiden bobbel.
Dooie katten, dooie katten, dooie katten, dooie katten, dooie katten. Demis Roussos, bloot op de sofa. Pfioew.
Agenda. Lesonderwerp: Shit. Tegen morgen: méér shit. Overschrijven van Jan.
De bel. Engels. Valt al bij al nog mee. Niets nieuws, maar ach, 't is gelukkig geen wiskunde. Leerkracht ziek. Studie.
Briefjes schrijven naar medestudentes. Lotte? Nee, daarvoor ken ik haar niet genoeg. Vindt ze vast raar. 'Hey! Dag schoonheid, alles ok?' Schoonheid... Vinden ze altijd grappig. Het is dan ook totaal van de pot gerukt. Wie spreekt nu op zo'n manier iemand aan?
Hm, die nagel is nogal lang. Even bijwerken. Zo, beter. Antwoord! 'Ja hoor, met jou? Je ziet er nogal somber uit vandaag.' Somber. Valt wel mee. Beetje slechtgezind, maar het betert. Blij dat ik jou heb. 'Ach, gaat wel. Hoe gaat het op amoureus vlak?' Toch eens polsen. Ik maak dan wel geen kans, maar ik mag toch dromen?
'Een lief sinds dit weekend!' en dan een hele uitleg over hoe mooi en leuk hij wel is. Wil ik niet weten. Vertel mij liever hoe mooi en leuk je mij vindt. Nog nooit een zwarte op een fiets gezien. Hoe kom ik daar ineens bij? Toch eens op beginnen letten. En niet weerschrijven naar dat meisje. Mijn interesse stopt waar andere jongens in haar leven beginnen.
Waar zit Lotte ergens? Links vooraan. Spijtig dat ik haar gezicht niet zie. Dat kleedje staat haar wel goed. Ik heb het voor kleedjes. Mooie rug. Mooie nek. Ik heb het voor vrouwennekken.
Een zwarte in een massasprint. Hehe. Ik heb het voor zwarten. Ik versta geen racisten. Was ik maar zwart.
Tekenen. Cartoontje. Hm... De handen zijn iets te klein. Maakt niet zo veel uit, maar toch... Doorgeven naar Bert. 'Geniaal!' onderaan het blad. Yes.
Is blauw dezelfde kleur voor hen als voor mij? Zien zij blauw niet als rood? En is blauw voor hen dan een warme kleur? En rood een koude?
Eén zandkorrel is onzichtbaar op een strand. Wat als ons melkwegstelsel één korrel zand is op een veel groter strand. En er dus nog veel meer is dan dat strand?
Die vlieg gaat er van hebben. Ja! Dood. Vreemd. Ik zou het niet mogen doen. De macht om te beslissen over leven en dood. Wat als vliegen écht meer voelen dan wij denken dat ze voelen? Op een heel ander niveau. Kalmaan, 't Is nog maar maandagmorgen. Dit is niet het moment om... De bel. Nu al? Vreemd.
Balletje trappen met de maten. Wel niet te actief. Geen zin in zweet. Me niet kunnen inhouden. Zwetend de klas weer binnenkomen.
Dit is niets voor mij. Later wordt alles beter. Cartoontje tekenen. Mislukt. Opnieuw beginnen.
zaterdag 5 juli 2008
Cap Gris-Nez
Het had weinig zin om te kniezen. De ferry was vertrokken, en weg was ze. Hij had te laat beseft dat zijn leven zonder haar weinig betekenis had. Te weinig betekenis.
Daar zat hij. In gedachten verzonken, op het strand van Calais, starend naar de krijtrotsen van Dover. De overkant. De ferry was al lang niet meer zichtbaar. Hij was haar nog achterna gereden. Hij had haar nog willen tegenhouden. Men beseft pas hoe zoet een bloem geurt, als ze verwelkt is.
Een traan raakte het zand. Diep vanbinnen wist hij dat tranen de situatie niet zouden verbeteren, en dat de afdruk ervan binnen enkele uren door golven overspoeld zou worden. Een mooie vergelijking. Het verdriet zou worden weggevaagd en de volgende morgen zou het zand, of het leven, weer mooi egaal zijn. Neen, bedacht hij zich, de golven zouden evenzeer een synoniem voor meer ellende kunnen zijn.
Terwijl de zon langzaam maar zeker onderging, probeerde hij te ontdekken waar het fout was gegaan. Hét kantelpunt in de relatie. Had hij haar ondergewaardeerd? Neen, hij had haar aanbeden als... als een godin. Iets anders kon hij niet bedenken. Het aanbidden had hem ook geen enkele moeite gekost. Een teken dat het goed zat, zo had hij altijd gedacht.
Maar blijkbaar zat het niet goed. Zij was ongelukkig. Was ze dat? Hij kon zich niet herinneren dat ze één keer teneergeslagen geweest was. Kwaad ja, af en toe. Het blijft tenslotte een vrouw. Hij glimlachte, door de tranen heen. Van kleinsaf aan al had hij in elke tegenslag wel iets positiefs gezien. Als iets grappig was, moest het ook gezegd worden, vond hij.
Ze waren uit elkaar gegaan en beiden hadden ze eronder geleden. Ze had nooit verstaan waarom hij het had uitgemaakt. Maar hij had zijn trots. Ze was te veel voor één man, maar niet genoeg voor twee, en hij was niet bepaald het soort man dat zijn vrouw deelde met een andere man. De vele kleine vernederingen hadden van hem een gebroken man gemaakt en telkens hij haar zag, zag hij de vergissingen die ze in het verleden had gemaakt. Ze was als een wit kleedje dat haar glans verloren had, door het te veel gewassen te hebben. Ze was het vale kleedje onderin de kast geworden. Het wordt niet weggegooid, omdat je er te veel goeie herinneringen aan hebt, maar je bent ook niet meer zinnens het te dragen.
Hoe graag hij haar ook gezien had, en nog altijd zag, het was op. Hij kon niet meer verder. Hij wist niet of zijn tranen ter aarde stortten omdat hij haar nooit meer zou kussen, of omdat ze gefaald hadden. Of omdat hij gefaald had. Aan hem had het niet kunnen liggen, zo trachtte hij zichzelf wijs te maken. Hij had haar altijd graag gezien. Te graag? Had hij haar verstikt?
Wat maakte het uit. Weg was ze. Net nu hij haar terugwilde, net nu het gemis ondraaglijk geworden was, had ze iemand anders leren kennen. Hem was ze naar Groot-Brittannië gevolgd. Zou ze destijds hetzelfde voor hem gedaan hebben? Allicht niet. Hij wist het niet. Zijn onwetendheid had hem altijd al gesierd. Omdat hij niet dom was. Hij was veeleer verdwaald. Te vroeg voor de leeuwen geworpen. Zijn overlevingsinstinct had hem geleerd alles dag per dag te bekijken. Een te simplistische levensfilosofie, dat wist hij zelf ook wel. Nu toch.
Hij raapte zijn jas op, stofte haar af en stak zijn armen in de mouwen. Een das had hij niet aan vandaag, anders had hij hem nu ongetwijfeld weer keurig rechtgetrokken. Verdriet is één ding, slordigheid iets helemaal anders. Verdriet kon ook ondergaan worden zonder er een boeltje van te maken. Hij wandelde terug naar de wagen en opende het portier. Hij haalde nog één keer diep adem, alvorens de sleutel in het contact te steken en de terugreis aan te vatten.
Onderweg dacht hij terug aan wat hij die dag belangrijker had gevonden dan haar tegen te houden. Hij had nog proberen vechten tegen de aandrang om haar achterna te gaan. Indien hij meteen had toegegeven, had hij haar misschien nog net op tijd kunnen tegenhouden. Hij was de Belgische grens al gepasseerd toen hij plots rechtsomkeer maakte. Cap Gris-Nez. Daar zou hij heen gaan. Nu meteen.
Het was al diep in de nacht toen hij op de klippen van Cap Gris-Nez stond. De ijskoude wind sneed hem de adem af. Hij had de koplampen niet gedoofd. Des te vlugger zou de auto gevonden worden. En de foto's op de passagiersstoel. Hij droeg 'haar' altijd met zich mee. Nog steeds. Eén foto had hij mee naar buiten genomen. Eén foto die hij nu vasthield en in het maanlicht probeerde te bekijken. Het was nét te donker om haar trekken te herkennen. Maar het was niet nodig. Hij wist hoe ze op de foto stond. Hij had geen foto's nodig om zich te herinneren hoe mooi ze was. Is.
De nummers in zijn gsm had hij gewist. Enkel de hare had hij erin gelaten. Niet dat men haar moest bellen, achteraf. Liefst zou hij in alle anonimiteit gaan.
Hij wandelde naar de rand van de klif en richtte zijn ogen een laatste keer ten hemel. De maan zag er prachtig uit vannacht.
Niemand had de doffe plons gehoord.
Toen zijn wagen de volgende ochtend gevonden werd en men iets verderop zijn jas, netjes opgevouwen in het gras ontdekt had, had men de politie gewaarschuwd. In de auto hadden ze de foto's en de gsm gevonden. Eén nieuw bericht. Nog geen halfuur oud. 'Schat gsm'.
"Heb me bedacht. Ben op weg terug naar Calais. Wil je me nog?"
Daar zat hij. In gedachten verzonken, op het strand van Calais, starend naar de krijtrotsen van Dover. De overkant. De ferry was al lang niet meer zichtbaar. Hij was haar nog achterna gereden. Hij had haar nog willen tegenhouden. Men beseft pas hoe zoet een bloem geurt, als ze verwelkt is.
Een traan raakte het zand. Diep vanbinnen wist hij dat tranen de situatie niet zouden verbeteren, en dat de afdruk ervan binnen enkele uren door golven overspoeld zou worden. Een mooie vergelijking. Het verdriet zou worden weggevaagd en de volgende morgen zou het zand, of het leven, weer mooi egaal zijn. Neen, bedacht hij zich, de golven zouden evenzeer een synoniem voor meer ellende kunnen zijn.
Terwijl de zon langzaam maar zeker onderging, probeerde hij te ontdekken waar het fout was gegaan. Hét kantelpunt in de relatie. Had hij haar ondergewaardeerd? Neen, hij had haar aanbeden als... als een godin. Iets anders kon hij niet bedenken. Het aanbidden had hem ook geen enkele moeite gekost. Een teken dat het goed zat, zo had hij altijd gedacht.
Maar blijkbaar zat het niet goed. Zij was ongelukkig. Was ze dat? Hij kon zich niet herinneren dat ze één keer teneergeslagen geweest was. Kwaad ja, af en toe. Het blijft tenslotte een vrouw. Hij glimlachte, door de tranen heen. Van kleinsaf aan al had hij in elke tegenslag wel iets positiefs gezien. Als iets grappig was, moest het ook gezegd worden, vond hij.
Ze waren uit elkaar gegaan en beiden hadden ze eronder geleden. Ze had nooit verstaan waarom hij het had uitgemaakt. Maar hij had zijn trots. Ze was te veel voor één man, maar niet genoeg voor twee, en hij was niet bepaald het soort man dat zijn vrouw deelde met een andere man. De vele kleine vernederingen hadden van hem een gebroken man gemaakt en telkens hij haar zag, zag hij de vergissingen die ze in het verleden had gemaakt. Ze was als een wit kleedje dat haar glans verloren had, door het te veel gewassen te hebben. Ze was het vale kleedje onderin de kast geworden. Het wordt niet weggegooid, omdat je er te veel goeie herinneringen aan hebt, maar je bent ook niet meer zinnens het te dragen.
Hoe graag hij haar ook gezien had, en nog altijd zag, het was op. Hij kon niet meer verder. Hij wist niet of zijn tranen ter aarde stortten omdat hij haar nooit meer zou kussen, of omdat ze gefaald hadden. Of omdat hij gefaald had. Aan hem had het niet kunnen liggen, zo trachtte hij zichzelf wijs te maken. Hij had haar altijd graag gezien. Te graag? Had hij haar verstikt?
Wat maakte het uit. Weg was ze. Net nu hij haar terugwilde, net nu het gemis ondraaglijk geworden was, had ze iemand anders leren kennen. Hem was ze naar Groot-Brittannië gevolgd. Zou ze destijds hetzelfde voor hem gedaan hebben? Allicht niet. Hij wist het niet. Zijn onwetendheid had hem altijd al gesierd. Omdat hij niet dom was. Hij was veeleer verdwaald. Te vroeg voor de leeuwen geworpen. Zijn overlevingsinstinct had hem geleerd alles dag per dag te bekijken. Een te simplistische levensfilosofie, dat wist hij zelf ook wel. Nu toch.
Hij raapte zijn jas op, stofte haar af en stak zijn armen in de mouwen. Een das had hij niet aan vandaag, anders had hij hem nu ongetwijfeld weer keurig rechtgetrokken. Verdriet is één ding, slordigheid iets helemaal anders. Verdriet kon ook ondergaan worden zonder er een boeltje van te maken. Hij wandelde terug naar de wagen en opende het portier. Hij haalde nog één keer diep adem, alvorens de sleutel in het contact te steken en de terugreis aan te vatten.
Onderweg dacht hij terug aan wat hij die dag belangrijker had gevonden dan haar tegen te houden. Hij had nog proberen vechten tegen de aandrang om haar achterna te gaan. Indien hij meteen had toegegeven, had hij haar misschien nog net op tijd kunnen tegenhouden. Hij was de Belgische grens al gepasseerd toen hij plots rechtsomkeer maakte. Cap Gris-Nez. Daar zou hij heen gaan. Nu meteen.
Het was al diep in de nacht toen hij op de klippen van Cap Gris-Nez stond. De ijskoude wind sneed hem de adem af. Hij had de koplampen niet gedoofd. Des te vlugger zou de auto gevonden worden. En de foto's op de passagiersstoel. Hij droeg 'haar' altijd met zich mee. Nog steeds. Eén foto had hij mee naar buiten genomen. Eén foto die hij nu vasthield en in het maanlicht probeerde te bekijken. Het was nét te donker om haar trekken te herkennen. Maar het was niet nodig. Hij wist hoe ze op de foto stond. Hij had geen foto's nodig om zich te herinneren hoe mooi ze was. Is.
De nummers in zijn gsm had hij gewist. Enkel de hare had hij erin gelaten. Niet dat men haar moest bellen, achteraf. Liefst zou hij in alle anonimiteit gaan.
Hij wandelde naar de rand van de klif en richtte zijn ogen een laatste keer ten hemel. De maan zag er prachtig uit vannacht.
Niemand had de doffe plons gehoord.
Toen zijn wagen de volgende ochtend gevonden werd en men iets verderop zijn jas, netjes opgevouwen in het gras ontdekt had, had men de politie gewaarschuwd. In de auto hadden ze de foto's en de gsm gevonden. Eén nieuw bericht. Nog geen halfuur oud. 'Schat gsm'.
"Heb me bedacht. Ben op weg terug naar Calais. Wil je me nog?"
Liefde op moleculair niveau
'Het leven van een amoebe is al bij al vrij saai. Heel de tijd van uitzicht veranderen en af en toe eens een voedselvacuole vormen, dat kunnen we ja, maar eens een stevig potje raggen; ho maar! Nee, celdeling. Ongeslachtelijk. Dat is nog minder dan rukken.
En zelfs al had ik een geslacht, dan nog... Een amoebe met een piemel is ook geen gezicht. Of een uit de kluiten gewassen vagijn. Alsof ik er nog niet vreemd genoeg uit zie.
Neen, het leven van een amoebe is geen lachertje. Je gaat dan wel de geschiedenis in als het begin van alle leven, maar wat heb je uiteindelijk aan de gave van de voortplanting als er geen neukhol aan te pas komt om eens stevig te penetreren. En geen tieten te bespeuren.
Ik weet de geneugten van een plompe tiet anders best te waarderen, hoor. Of een stel billen waar je een fiets tussen kan parkeren! Want jawel, deze jongen heeft het voor dikke konten. Vreemd eigenlijk; een amoebe die van dikke konten houdt, maar ach, er zijn vreemdere dingen denkbaar: een amoebe met een piemel bijvoorbeeld.
Wij amoebes behoren tot de zogenaamde wortelpotigen. Wat wil dat nu weer zeggen?! Ik zou godverdomme wel weten waar ik die wortel zou kwijt kunnen, hoor!
Romantiek? Geen tijd voor, vriend. Voor je het weet, is je leven weer voorbij. En wij amoebes kunnen weten, noch denken. Volgens Descartes zouden we derhalve ook niet kunnen zijn, maar die ouwe Franse zak zal wel van gedachten veranderen als ik zijn wijf de nacht van haar leven bezorg!'
- 'Kom kom, nu gaat u toch echt te ver.'
- 'Pardon?'
- 'Uw gastcollege over liefde op moleculair niveau is zonder meer interessant, meneer...'
- 'Professor.'
- '...professor Fläh-Moess, maar ik heb de indruk dat u zich iets te zeer inleeft in uw rol. Ik ben er helemaal niet van overtuigd dat de studenten moleculaire microbiologie hier iets aan hebben.'
- 'Hoe durft ge zoiets beweren, stom wijf dat ge daar staat?!'
- 'Professor, ik denk niet dat...'
- 'Ge denkt niet, punt. Zelfs dat hebben wij amoebes voor op u, gij boertige zeug!'
- 'Professor Fläh-Moess, nu gaat u toch écht te ver. Dat u mij beledigt, tot daar aan toe, maar flagrante leugens op moleculair niveau verspreiden, dat gaat me te ver! Eruit!'
- 'Eruit?! Wacht, kom hier dat ik u een oorvijg geef met één van mijn papier-maché schijnvoetjes, gij verlept androchiem met uw naar rotte bloemkool ruikende gleuf!'
- 'Dit soort obsceniteiten zijn hier allerminst gewenst, professor! Ik zou u willen verzoeken de aula te verlaten! U bent hier onder toekomstige academici en bent allesbehalve een stichtend voorbeeld voor...'
- 'Och, hou toch op, verdoefte wrattenkont. Ik ben al weg. Maar als mijn amoebekostuum de busrit niet overleeft, dan hebt gij, en gij alleen, het aan uw rekker hangen, vorte strontkut dat ge daar staat. Dat gaat u een ferme noot kosten!'
- 'Eruit! Nu!'
Nadat professor Fläh-Moess de aula verlaten had en dokter Marlies Stofregen een bescheiden dosis kalmeermiddelen tot zich genomen had, leek de rust in de aula weer te keren. Even bleef het stil, maar de chaos deed haar herintrede toen dokter Stofregen een hartaanval kreeg nadat een student op de achtste rij gevraagd had of hij voor zijn eindwerk ook een voorstelling in amoebekostuum mocht doen.
En zelfs al had ik een geslacht, dan nog... Een amoebe met een piemel is ook geen gezicht. Of een uit de kluiten gewassen vagijn. Alsof ik er nog niet vreemd genoeg uit zie.
Neen, het leven van een amoebe is geen lachertje. Je gaat dan wel de geschiedenis in als het begin van alle leven, maar wat heb je uiteindelijk aan de gave van de voortplanting als er geen neukhol aan te pas komt om eens stevig te penetreren. En geen tieten te bespeuren.
Ik weet de geneugten van een plompe tiet anders best te waarderen, hoor. Of een stel billen waar je een fiets tussen kan parkeren! Want jawel, deze jongen heeft het voor dikke konten. Vreemd eigenlijk; een amoebe die van dikke konten houdt, maar ach, er zijn vreemdere dingen denkbaar: een amoebe met een piemel bijvoorbeeld.
Wij amoebes behoren tot de zogenaamde wortelpotigen. Wat wil dat nu weer zeggen?! Ik zou godverdomme wel weten waar ik die wortel zou kwijt kunnen, hoor!
Romantiek? Geen tijd voor, vriend. Voor je het weet, is je leven weer voorbij. En wij amoebes kunnen weten, noch denken. Volgens Descartes zouden we derhalve ook niet kunnen zijn, maar die ouwe Franse zak zal wel van gedachten veranderen als ik zijn wijf de nacht van haar leven bezorg!'
- 'Kom kom, nu gaat u toch echt te ver.'
- 'Pardon?'
- 'Uw gastcollege over liefde op moleculair niveau is zonder meer interessant, meneer...'
- 'Professor.'
- '...professor Fläh-Moess, maar ik heb de indruk dat u zich iets te zeer inleeft in uw rol. Ik ben er helemaal niet van overtuigd dat de studenten moleculaire microbiologie hier iets aan hebben.'
- 'Hoe durft ge zoiets beweren, stom wijf dat ge daar staat?!'
- 'Professor, ik denk niet dat...'
- 'Ge denkt niet, punt. Zelfs dat hebben wij amoebes voor op u, gij boertige zeug!'
- 'Professor Fläh-Moess, nu gaat u toch écht te ver. Dat u mij beledigt, tot daar aan toe, maar flagrante leugens op moleculair niveau verspreiden, dat gaat me te ver! Eruit!'
- 'Eruit?! Wacht, kom hier dat ik u een oorvijg geef met één van mijn papier-maché schijnvoetjes, gij verlept androchiem met uw naar rotte bloemkool ruikende gleuf!'
- 'Dit soort obsceniteiten zijn hier allerminst gewenst, professor! Ik zou u willen verzoeken de aula te verlaten! U bent hier onder toekomstige academici en bent allesbehalve een stichtend voorbeeld voor...'
- 'Och, hou toch op, verdoefte wrattenkont. Ik ben al weg. Maar als mijn amoebekostuum de busrit niet overleeft, dan hebt gij, en gij alleen, het aan uw rekker hangen, vorte strontkut dat ge daar staat. Dat gaat u een ferme noot kosten!'
- 'Eruit! Nu!'
Nadat professor Fläh-Moess de aula verlaten had en dokter Marlies Stofregen een bescheiden dosis kalmeermiddelen tot zich genomen had, leek de rust in de aula weer te keren. Even bleef het stil, maar de chaos deed haar herintrede toen dokter Stofregen een hartaanval kreeg nadat een student op de achtste rij gevraagd had of hij voor zijn eindwerk ook een voorstelling in amoebekostuum mocht doen.
dinsdag 1 juli 2008
De trein
'Excuseer, is deze plaats vrij?'
Ze keek me met haar grote ogen aan. Hier had ik driekwart treinrit op gewacht. Ik ging zitten op de lege plaats tegenover haar. Na veertig seconden - die er toch minstens vierenveertig of zelfs áchtenveertig leken - hield ik het niet meer.
'Ik euh... weet niet goed hoe ik het moet zeggen...'
Blijkbaar wist ik écht niet hoe ik het moest zeggen, want plots kreeg ik geen lucht meer. Hoestend, rochelend en reutelend, en met uitpuilende ogen hapte ik tevergeefs naar lucht. Elke poging tot het uitvoeren van een fatsoenlijk Heimlichmanoeuvre-op-mezelf faalde jammerlijk. Toen ik na enig fijn, gaaf rochelwerk eindelijk weer lucht kreeg en mijn kop weer een normale teint aannam, was ik te beschaamd om haar aan te kijken.
Na zeventien en een halve seconde sprak ik haar, met de overgave en het aplomb van iemand die een stier wil vloeren met een kopstoot, weer aan.
'Je kent me allicht niet, maar ik neem al enkele dagen dezelfde trein als jij en... ik kan mijn ogen niet van je afhouden. Ik hoop echt dat ik niet te euh... "hevig" overkom, ook al besef ik dat dat allicht wél het geval is. Ik wil met je praten, ik wil in je ogen kijken. Ik wil je voelen, ik wil met mijn vingers door je haar en over je zachte huid glijden. Ik wil je lieve woordjes in het oor fluisteren. Geef me alsjeblieft een kans. Ik weet dat ik niet de mooiste duif in het hok ben, maar is dát uiteindelijk waar het om draait? Is dát werkelijk alles? Draait het niet meer om wat ik denk, om wat ik voel? Zijn ogen uiteindelijk niet belangrijk dan die harige ronde buik? Dan dat overtollige vet ter hoogte van mijn borststreek? Dan die reet ter grootte van een uit de kluiten gewassen biervat? Lieve schat, kon je maar in mijn ogen lezen wat in mijn hart geschreven staat! Ik zou alles voor je doen, alles wat je maar wil! Ik zou de oceaan overzwemmen om een glimp van je op te vangen! Ik zou naar het einde van de horizon lopen om je zachte parfum te kunnen ruiken! Ik... ik... Ik hou van je!'
Ik had de zin nog maar net uitgesproken of ik wist al dat ik te ver gegaan was. Dit was té plots. Ze dacht vast dat ik gek ben. Dat ik dit op voorhand had uitgeschreven, maar dan in stront, op de muur van de isoleercel van het gesticht waaruit ik net ben ontsnapt. Ze vroeg zich nu vast af of ik de dwangbuis onderweg gedumpt had, of ze gewoon meedroeg in mijn rugzak. Maar ik wás geen gek. Ik was níet ontsnapt. Ik was gewoon verliefd. Wist ik veel hoe het kwam dat ik verliefd was op een meisje dat ik van haar noch pluim kende! De stilte werd stilaan ondraaglijk. Komaan lieve schat, beantwoord mijn liefde!
- 'Je suis désolée, je ne comprends pas le néerlandais.'
Ze keek me met haar grote ogen aan. Hier had ik driekwart treinrit op gewacht. Ik ging zitten op de lege plaats tegenover haar. Na veertig seconden - die er toch minstens vierenveertig of zelfs áchtenveertig leken - hield ik het niet meer.
'Ik euh... weet niet goed hoe ik het moet zeggen...'
Blijkbaar wist ik écht niet hoe ik het moest zeggen, want plots kreeg ik geen lucht meer. Hoestend, rochelend en reutelend, en met uitpuilende ogen hapte ik tevergeefs naar lucht. Elke poging tot het uitvoeren van een fatsoenlijk Heimlichmanoeuvre-op-mezelf faalde jammerlijk. Toen ik na enig fijn, gaaf rochelwerk eindelijk weer lucht kreeg en mijn kop weer een normale teint aannam, was ik te beschaamd om haar aan te kijken.
Na zeventien en een halve seconde sprak ik haar, met de overgave en het aplomb van iemand die een stier wil vloeren met een kopstoot, weer aan.
'Je kent me allicht niet, maar ik neem al enkele dagen dezelfde trein als jij en... ik kan mijn ogen niet van je afhouden. Ik hoop echt dat ik niet te euh... "hevig" overkom, ook al besef ik dat dat allicht wél het geval is. Ik wil met je praten, ik wil in je ogen kijken. Ik wil je voelen, ik wil met mijn vingers door je haar en over je zachte huid glijden. Ik wil je lieve woordjes in het oor fluisteren. Geef me alsjeblieft een kans. Ik weet dat ik niet de mooiste duif in het hok ben, maar is dát uiteindelijk waar het om draait? Is dát werkelijk alles? Draait het niet meer om wat ik denk, om wat ik voel? Zijn ogen uiteindelijk niet belangrijk dan die harige ronde buik? Dan dat overtollige vet ter hoogte van mijn borststreek? Dan die reet ter grootte van een uit de kluiten gewassen biervat? Lieve schat, kon je maar in mijn ogen lezen wat in mijn hart geschreven staat! Ik zou alles voor je doen, alles wat je maar wil! Ik zou de oceaan overzwemmen om een glimp van je op te vangen! Ik zou naar het einde van de horizon lopen om je zachte parfum te kunnen ruiken! Ik... ik... Ik hou van je!'
Ik had de zin nog maar net uitgesproken of ik wist al dat ik te ver gegaan was. Dit was té plots. Ze dacht vast dat ik gek ben. Dat ik dit op voorhand had uitgeschreven, maar dan in stront, op de muur van de isoleercel van het gesticht waaruit ik net ben ontsnapt. Ze vroeg zich nu vast af of ik de dwangbuis onderweg gedumpt had, of ze gewoon meedroeg in mijn rugzak. Maar ik wás geen gek. Ik was níet ontsnapt. Ik was gewoon verliefd. Wist ik veel hoe het kwam dat ik verliefd was op een meisje dat ik van haar noch pluim kende! De stilte werd stilaan ondraaglijk. Komaan lieve schat, beantwoord mijn liefde!
- 'Je suis désolée, je ne comprends pas le néerlandais.'
zondag 29 juni 2008
Aapathie
Jef had geen trek in bananen. Jef stond bekend als hardleers, ongehoorzaam. Tot twee weken geleden, toen hij na anderhalf jaar ontdekte dat wanneer de verzorgers zijn naam riepen, ze daarmee wel degelijk hem bedoelden. Kortom: pas na anderhalf jaar had Jef in het snotje dat hij Jef was. Ongetwijfeld het gevolg van het nu al legendarische verjaardagsfeestje annex bacchanaal dat de andere verzorgers destijds voor zijn verzorger georganiseerd hadden. Had Jef even geluk zeg, dat hij de dag erna, toen iedereen nog halfzat aan het werk was, geboren werd! Hoeveel moet je wel niet gedronken hebben om een aap Jef te noemen...? Neen, Jef had het niet begrepen op verzorgers...
Als men nu zijn naam riep, keek hij weliswaar om, maar dan enkel om de verzorger in kwestie te trakteren op een fikse middelvinger.
Zo was Jef op twee weken tijd uitgegroeid tot niet minder dan drie unica (mv. van unicum, fdb.)! Niet alleen was hij de enige aap ter wereld die Jef heette, niet alleen was hij de enige aap ter wereld die niet tuk was op bananen, hij was ook de enige aap ter wereld die zijn middelvinger te pas en te onpas (en toevallig genoeg enkel wanneer er verzorgers in de buurt waren) de lucht instak!
De hele situatie had hem apatisch gemaakt. De aandacht van de enorme mensenmassa die zich sindsdien steevast voor het apenverblijf gevormd had, als gevolg van de drie unica genaamd Jef, kon daar niets aan veranderen. Vroeger had hij al die aandacht leuk gevonden. Vroeger zwaaide hij met plezier van hier naar daar, snuffelde hij enthousiast aan anderaaps anus en had hij zijn fecaliën met volle overtuiging naar de anderen gesmeten.
Van al die beroepsernst bleef niets meer over.
Apatisch zat hij in een hoekje van het apenverblijf. Niets boeide hem nog. Zelfs de stront uit Coco's vacht krabben zou hem nu geen voldoening geschonken hebben. Coco, dat was tenminste een normale naam voor een aap. Of Kong of Bubbles, zoals enkele andere apen heetten. Ja, eentje hadden ze voor de lol Dr. Zaius genoemd, maar dan ook enkel en alleen omdat de aap in kwestie belachelijk blond was voor een orang-oetan. En ja, een orang-oetan, wie maalt daar nu om... Een fiere chimpansee als Jef alleszins niet.
Ineens kreeg hij een idee. Als een plots ontdekt brokje stront in de vacht van een medeaap, overviel hem die ene briljante gedachte.
Dus toen één van de verzorgers het verblijf betrad en nietsvermoedend op de sloom ogende Jef afging, sprong laatstgenoemde plots recht en stortte zich als een razende gek op de ballen van de verzorger.
Jef had besloten de verzorgers te doen boeten voor het aangedane leed. Minstens ééntje zou het bekopen en als voorbeeld gelden voor de anderen. Hij nam zijn toevlucht dan ook tot dat waar apen de besten in zijn: amok maken, keet schoppen en ballen vreten.
De andere apen hadden verbaasd toegekeken hoe de verzorger hevig bloedend zijn lot onderging, tastend naar wat overbleef van zijn kruis, terwijl Jef er vandoor ging met een buitgemaakte bal.
Toen de andere verzorgers arriveerden, de karabijnen bovengehaald werden en Jef wist wat hem te wachten stond, ging hij naar de verminkte verzorger toe, boog zich over hem heen en deed, nét voor de eerste kogel hem in de hartstreek trof, iets wonderbaarlijks;
hij plaatste een joekel van een fluim pal op het voorhoofd van de verzorger.
Alweer een unicum!
Als men nu zijn naam riep, keek hij weliswaar om, maar dan enkel om de verzorger in kwestie te trakteren op een fikse middelvinger.
Zo was Jef op twee weken tijd uitgegroeid tot niet minder dan drie unica (mv. van unicum, fdb.)! Niet alleen was hij de enige aap ter wereld die Jef heette, niet alleen was hij de enige aap ter wereld die niet tuk was op bananen, hij was ook de enige aap ter wereld die zijn middelvinger te pas en te onpas (en toevallig genoeg enkel wanneer er verzorgers in de buurt waren) de lucht instak!
De hele situatie had hem apatisch gemaakt. De aandacht van de enorme mensenmassa die zich sindsdien steevast voor het apenverblijf gevormd had, als gevolg van de drie unica genaamd Jef, kon daar niets aan veranderen. Vroeger had hij al die aandacht leuk gevonden. Vroeger zwaaide hij met plezier van hier naar daar, snuffelde hij enthousiast aan anderaaps anus en had hij zijn fecaliën met volle overtuiging naar de anderen gesmeten.
Van al die beroepsernst bleef niets meer over.
Apatisch zat hij in een hoekje van het apenverblijf. Niets boeide hem nog. Zelfs de stront uit Coco's vacht krabben zou hem nu geen voldoening geschonken hebben. Coco, dat was tenminste een normale naam voor een aap. Of Kong of Bubbles, zoals enkele andere apen heetten. Ja, eentje hadden ze voor de lol Dr. Zaius genoemd, maar dan ook enkel en alleen omdat de aap in kwestie belachelijk blond was voor een orang-oetan. En ja, een orang-oetan, wie maalt daar nu om... Een fiere chimpansee als Jef alleszins niet.
Ineens kreeg hij een idee. Als een plots ontdekt brokje stront in de vacht van een medeaap, overviel hem die ene briljante gedachte.
Dus toen één van de verzorgers het verblijf betrad en nietsvermoedend op de sloom ogende Jef afging, sprong laatstgenoemde plots recht en stortte zich als een razende gek op de ballen van de verzorger.
Jef had besloten de verzorgers te doen boeten voor het aangedane leed. Minstens ééntje zou het bekopen en als voorbeeld gelden voor de anderen. Hij nam zijn toevlucht dan ook tot dat waar apen de besten in zijn: amok maken, keet schoppen en ballen vreten.
De andere apen hadden verbaasd toegekeken hoe de verzorger hevig bloedend zijn lot onderging, tastend naar wat overbleef van zijn kruis, terwijl Jef er vandoor ging met een buitgemaakte bal.
Toen de andere verzorgers arriveerden, de karabijnen bovengehaald werden en Jef wist wat hem te wachten stond, ging hij naar de verminkte verzorger toe, boog zich over hem heen en deed, nét voor de eerste kogel hem in de hartstreek trof, iets wonderbaarlijks;
hij plaatste een joekel van een fluim pal op het voorhoofd van de verzorger.
Alweer een unicum!
woensdag 7 mei 2008
-Plons-
"HOEAAAAAARGH!"
Een oorverdovende schreeuw vulde de harten van zijn medegevangenen met angst en een brandend gevoel van mededogen en nieuwsgierigheid maakte zich meester van iedereen in celblok D. Na enige stilte kwamen de reacties aanvankelijk aarzelend, daarna sneller op elkaar volgend, op gang.
- "Gaat het?"
- "Kom op joh, je kan het!"
- "Alles oké, daar?"
- "Niet opgeven!"
- "Hoe ver staat 'ie al?"
- "Halfweg!" antwoordde zijn celgenoot.
Zwetend en met wangen, nat van de talrijke tranen die één voor één langs zijn gezicht naar beneden waren gelopen, alvorens met een nauwelijks hoorbaar "ping!" ter aarde te storten, maakte Marc een moegestreden indruk.
"Dit is -humpf..!- niet meer menselijk, Jos. Ik kan niet meer. Ik ben óp."
- "Komaan, nog even! Denk aan de anderen!"
- "De anderen?! Kom je me -hmmmpf..!- nu zeggen dat ik die rotdingen nog moet delen met anderen ook?"
- "Met het hele celblok, om precies te zijn..."
- "Met het héle cel-hijg..!-blok?! Kijk, ik vond het al vreemd dat ik -aaah..!- een postpakket toegezonden kreeg. Ik vond het nog vreemder dat het van mijn oom kwam, die tenslotte al elf jaar dood -areugl..!- is. En ik vond het zo mogelijk nóg vreemder dat er zich in dat pakket een gi-hoeaah...!-gantische taart bevond, om nog maar te zwijgen van mijn verbazing toen ik er drie sloffen sigaretten in aantrof..."
- "...die je meteen moest verbergen, toen de cipier een onverwachte controle deed."
- "Eén pakje sigaretten gaat nog, maar drie sloffen naar bi-hiii...!-nnen werken, zéker in een tijdspanne van slechts enkele minuten..."
- "Je mag nog van geluk spreken dat hij beginnen controleren is aan de andere kant van het blok..."
- "Hé! Hoe zit het daar met die saffen?!"
- "JE MELIS, BOSMANS! Volgende keer mogen ze hun taart naar jou opsturen, eens zien of jij het beter oplost!"
- "Al goed, al goed... Je moet niet kwaad worden, ik vroeg het maar..."
- "Hoeveel houden wíj er eigenlijk aan over?"
- "Twee sloffen van acht pakjes, één van tien... dat zijn in totaal 26 pakjes, maal 25... 650 sigaretten, te verdelen onder 82 gevangenen... Net geen acht saffen per man, Marc."
- "ACHT?! Zit ik hier de ziel - en drie sloffen - uit mijn lijf te kakken voor ACHT saffen?!"
- "Niet zaniken! Niemand heeft je gedwongen die sloffen op te vreten!"
- "Je bek, Van As!"
- "Ergens heeft hij wel gelijk natuurlijk, je had de sigaretten meteen uit de pakjes moeten halen en verstoppen in je kussensloop..."
- "Jos, dit is niet het moment om te mekkeren over wat ik wel of niet had moeten doen..."
- "...het gevaar dat de saffen breken is natuurlijk aanzienlijk verminderd doordat je ze per pakje hebt ingeslikt - zo zie je maar dat die kortstondige carrière in de (homo)seksindustrie toch haar vruchten heeft afgeworpen!"
- "JOS, HOU JE WAFFEL! ER HANGT EEN SLOF RODE BASTOS HALFWEG UIT M'N GAT TE BUNGELEN EN..."
-plons-
Je kon een speld horen vallen in celblok D, toen de eerste slof in het water van het brilloze porcelein terechtkwam. Toen barstten de vreugdekreten los...
- "Hoera!"
- "Leve de Marc!"
- "Hier die saffen!"
- "Go Bart!"
- "'t Is Marc, Bosmans..."
- "Zijn er lucifers?!"
Het hele celblok verstomde. Terwijl Marc de twee overige sloffen uit zijn hol perste - wat aanzienlijk vlotter ging dan het geval was bij de eerste - kwamen de anderen tot het besef dat ze nu dan wel saffen hadden, maar niets om de dingen mee aan te steken.
Bovendien hadden de vreugdekreten de aandacht van de cipiers getrokken, en terwijl Marc nog volop bezig was met de hartaanval die zich zonet meester van hem had gemaakt, werden hij, zijn celgenoot Jos en iedereen in celblok D hardhandig en met behulp van enkele matrakken, in elkaar geslagen. De sigaretten werden in beslag genomen.
Bij de autopsie die men achteraf op Marc heeft laten uitvoeren, werden, tot grote verbazing van de uitvoerende artsen, een pakje lucifers en twee aanstekers in zijn darmkanaal aangetroffen.
Een oorverdovende schreeuw vulde de harten van zijn medegevangenen met angst en een brandend gevoel van mededogen en nieuwsgierigheid maakte zich meester van iedereen in celblok D. Na enige stilte kwamen de reacties aanvankelijk aarzelend, daarna sneller op elkaar volgend, op gang.
- "Gaat het?"
- "Kom op joh, je kan het!"
- "Alles oké, daar?"
- "Niet opgeven!"
- "Hoe ver staat 'ie al?"
- "Halfweg!" antwoordde zijn celgenoot.
Zwetend en met wangen, nat van de talrijke tranen die één voor één langs zijn gezicht naar beneden waren gelopen, alvorens met een nauwelijks hoorbaar "ping!" ter aarde te storten, maakte Marc een moegestreden indruk.
"Dit is -humpf..!- niet meer menselijk, Jos. Ik kan niet meer. Ik ben óp."
- "Komaan, nog even! Denk aan de anderen!"
- "De anderen?! Kom je me -hmmmpf..!- nu zeggen dat ik die rotdingen nog moet delen met anderen ook?"
- "Met het hele celblok, om precies te zijn..."
- "Met het héle cel-hijg..!-blok?! Kijk, ik vond het al vreemd dat ik -aaah..!- een postpakket toegezonden kreeg. Ik vond het nog vreemder dat het van mijn oom kwam, die tenslotte al elf jaar dood -areugl..!- is. En ik vond het zo mogelijk nóg vreemder dat er zich in dat pakket een gi-hoeaah...!-gantische taart bevond, om nog maar te zwijgen van mijn verbazing toen ik er drie sloffen sigaretten in aantrof..."
- "...die je meteen moest verbergen, toen de cipier een onverwachte controle deed."
- "Eén pakje sigaretten gaat nog, maar drie sloffen naar bi-hiii...!-nnen werken, zéker in een tijdspanne van slechts enkele minuten..."
- "Je mag nog van geluk spreken dat hij beginnen controleren is aan de andere kant van het blok..."
- "Hé! Hoe zit het daar met die saffen?!"
- "JE MELIS, BOSMANS! Volgende keer mogen ze hun taart naar jou opsturen, eens zien of jij het beter oplost!"
- "Al goed, al goed... Je moet niet kwaad worden, ik vroeg het maar..."
- "Hoeveel houden wíj er eigenlijk aan over?"
- "Twee sloffen van acht pakjes, één van tien... dat zijn in totaal 26 pakjes, maal 25... 650 sigaretten, te verdelen onder 82 gevangenen... Net geen acht saffen per man, Marc."
- "ACHT?! Zit ik hier de ziel - en drie sloffen - uit mijn lijf te kakken voor ACHT saffen?!"
- "Niet zaniken! Niemand heeft je gedwongen die sloffen op te vreten!"
- "Je bek, Van As!"
- "Ergens heeft hij wel gelijk natuurlijk, je had de sigaretten meteen uit de pakjes moeten halen en verstoppen in je kussensloop..."
- "Jos, dit is niet het moment om te mekkeren over wat ik wel of niet had moeten doen..."
- "...het gevaar dat de saffen breken is natuurlijk aanzienlijk verminderd doordat je ze per pakje hebt ingeslikt - zo zie je maar dat die kortstondige carrière in de (homo)seksindustrie toch haar vruchten heeft afgeworpen!"
- "JOS, HOU JE WAFFEL! ER HANGT EEN SLOF RODE BASTOS HALFWEG UIT M'N GAT TE BUNGELEN EN..."
-plons-
Je kon een speld horen vallen in celblok D, toen de eerste slof in het water van het brilloze porcelein terechtkwam. Toen barstten de vreugdekreten los...
- "Hoera!"
- "Leve de Marc!"
- "Hier die saffen!"
- "Go Bart!"
- "'t Is Marc, Bosmans..."
- "Zijn er lucifers?!"
Het hele celblok verstomde. Terwijl Marc de twee overige sloffen uit zijn hol perste - wat aanzienlijk vlotter ging dan het geval was bij de eerste - kwamen de anderen tot het besef dat ze nu dan wel saffen hadden, maar niets om de dingen mee aan te steken.
Bovendien hadden de vreugdekreten de aandacht van de cipiers getrokken, en terwijl Marc nog volop bezig was met de hartaanval die zich zonet meester van hem had gemaakt, werden hij, zijn celgenoot Jos en iedereen in celblok D hardhandig en met behulp van enkele matrakken, in elkaar geslagen. De sigaretten werden in beslag genomen.
Bij de autopsie die men achteraf op Marc heeft laten uitvoeren, werden, tot grote verbazing van de uitvoerende artsen, een pakje lucifers en twee aanstekers in zijn darmkanaal aangetroffen.
vrijdag 28 maart 2008
Het pleidooi
Dames en heren van de jury,
Laat ik u eerst en vooral op het hart drukken dat ik in de 34 jaar dat ik dit vak nu uitoefen, nog nooit een geval als dit heb meegemaakt. Ik sta even perplex als u allen, wanneer ik de feiten overloop.
Maar laat ons niet overdrijven. Wie onder ons, heeft nog nooit een stommiteit begaan? Wie onder ons, kan naar eer en geweten zeggen dat hij of zij nooit iets verkeerd doet? Wie onder ons, dames en heren van de jury, kan in alle eerlijkheid zeggen... dat hij of zij nog nooit met een gestolen wagen in de woonkamer van een nobele onbekende terechtgekomen is?
Ik alvast niet.
En ook ik moet bekennen dat ik in het verleden niet altijd heb kunnen weerstaan aan de lokroep van de zwoelste oosterse geisha: opium. Hoe vaak heb ik niet rondgezworven door de straten van Shanghai, op zoek naar Witte Lotus en een natte gleuf... Zo heb ik zelfs mijn vrouw ontmoet, maar dan in Moerbeke-Waas, op zoek naar mijn witte Lotus Cortina. Maar dat is weer een ander verhaal.
High en opgefokter dan een skinhead in een Soedanees vluchtelingenkamp scheurden mijn cliënt en veertien Kosovaarse euh... vrienden in een minibusje over de straten. Ze moesten wel: op de loop voor vier hen achtervolgende politiewagens, zou het niet lang duren eer de bloeddorstige arm der wet hen in haar klauwen had! Enig stuntwerk was dus wel aan de orde. Dat mijn cliënt daarbij van de baan af raakte en een oud vrouwtje onderuit maaide, alvorens tot stilstand te komen in de woonkamer van de aanklager, was dan ook enkel en alleen te wijten aan de nervoziteiten van de hem als bloedhonden op de hielen zittende moordenaars - want DAT ZIJN HET! - van de federale politie.
Toegegeven, mijn cliënt had geen wapen moeten trekken, de bewoners van het huis bedreigen en al helemaal geen agent - laat staan zés - moeten neerschieten, onderwijl jammerend - en ik citeer: "de lading, de lading. Manke Pablo en de baas maken me van kant als ze weten wat er met de Kosovaren gebeurd is. Waar is het toilet, klootzak, gijzelingen hebben een nefast effect op mijn darmen."
Bovenop het overduidelijke feit dat mijn cliënt - en dat ziet toch het kleinste kind? - IN DE VAL GELOKT IS, door deze Pablo-figuur en diens baas, zou mijn cliënt dus ook nog moeten boeten voor de verstopping van de buizen bij de aanklager, BOVENOP diens overduidelijke aandoening aan het darmkanaal! Heeft de aanklager niets beters te doen dan een schertsvertoning van dit proces te maken?
Dat Kiki, de naaktkat van de aanklager, het dressoir ondergescheten heeft van het schrikken toen de wagen zich door de muur van de woonkamer van de aanklager boorde, en het ook niet overleefde toen de wagen tot stilstand kwam op euh... Kiki zelf, daarvoor kan mijn cliënt toch niet verantwoordelijk geacht worden?
En dus, dames en heren van de jury, rest mij niets anders dan het eisen van de vrijspraak voor mijn cliënt.
Laat ik u eerst en vooral op het hart drukken dat ik in de 34 jaar dat ik dit vak nu uitoefen, nog nooit een geval als dit heb meegemaakt. Ik sta even perplex als u allen, wanneer ik de feiten overloop.
Maar laat ons niet overdrijven. Wie onder ons, heeft nog nooit een stommiteit begaan? Wie onder ons, kan naar eer en geweten zeggen dat hij of zij nooit iets verkeerd doet? Wie onder ons, dames en heren van de jury, kan in alle eerlijkheid zeggen... dat hij of zij nog nooit met een gestolen wagen in de woonkamer van een nobele onbekende terechtgekomen is?
Ik alvast niet.
En ook ik moet bekennen dat ik in het verleden niet altijd heb kunnen weerstaan aan de lokroep van de zwoelste oosterse geisha: opium. Hoe vaak heb ik niet rondgezworven door de straten van Shanghai, op zoek naar Witte Lotus en een natte gleuf... Zo heb ik zelfs mijn vrouw ontmoet, maar dan in Moerbeke-Waas, op zoek naar mijn witte Lotus Cortina. Maar dat is weer een ander verhaal.
High en opgefokter dan een skinhead in een Soedanees vluchtelingenkamp scheurden mijn cliënt en veertien Kosovaarse euh... vrienden in een minibusje over de straten. Ze moesten wel: op de loop voor vier hen achtervolgende politiewagens, zou het niet lang duren eer de bloeddorstige arm der wet hen in haar klauwen had! Enig stuntwerk was dus wel aan de orde. Dat mijn cliënt daarbij van de baan af raakte en een oud vrouwtje onderuit maaide, alvorens tot stilstand te komen in de woonkamer van de aanklager, was dan ook enkel en alleen te wijten aan de nervoziteiten van de hem als bloedhonden op de hielen zittende moordenaars - want DAT ZIJN HET! - van de federale politie.
Toegegeven, mijn cliënt had geen wapen moeten trekken, de bewoners van het huis bedreigen en al helemaal geen agent - laat staan zés - moeten neerschieten, onderwijl jammerend - en ik citeer: "de lading, de lading. Manke Pablo en de baas maken me van kant als ze weten wat er met de Kosovaren gebeurd is. Waar is het toilet, klootzak, gijzelingen hebben een nefast effect op mijn darmen."
Bovenop het overduidelijke feit dat mijn cliënt - en dat ziet toch het kleinste kind? - IN DE VAL GELOKT IS, door deze Pablo-figuur en diens baas, zou mijn cliënt dus ook nog moeten boeten voor de verstopping van de buizen bij de aanklager, BOVENOP diens overduidelijke aandoening aan het darmkanaal! Heeft de aanklager niets beters te doen dan een schertsvertoning van dit proces te maken?
Dat Kiki, de naaktkat van de aanklager, het dressoir ondergescheten heeft van het schrikken toen de wagen zich door de muur van de woonkamer van de aanklager boorde, en het ook niet overleefde toen de wagen tot stilstand kwam op euh... Kiki zelf, daarvoor kan mijn cliënt toch niet verantwoordelijk geacht worden?
En dus, dames en heren van de jury, rest mij niets anders dan het eisen van de vrijspraak voor mijn cliënt.
zondag 23 maart 2008
Een witte Pasen
Waar zitten ze godverdomme met hun witte Pasen?!! Ik had gisteravond speciaal de lamellen mijner slaapkamerraam omhoog gelaten, zodat ik hedenochtend bij het opstaan meteen een blik zou kunnen werpen op een maagdelijk wit sneeuwtapijt. Groot was mijn ontnuchtering, verbazing en schiere levenswalging toen ik wakker werd doordat die verrekte zon - de smalende glimlach waarmee de duivel in een bord rijstpap kakt, haar bakkes sierend - een bundel harer stralen in mijn gezicht wierp. Neen goddomme: perfect (eieren)raapweer!
Waar is de tijd dat ik op Pasen als een razende gek de tuin in stormde op zoek naar halfgesmolten chocolade en speelgoed. Veel te ver weg, godverdomme. Alsof ik nu nog mijn lever naar de knoppen ga helpen omdat één of andere gek wat chocolade in mijn hof gesmeten heeft! Toen misschien ja, maar nu...? En speelgoed?! Was het maar waar! Ik zou nu nóg met die dingen kunnen spelen! Ja, dat soort man ben ik, ja. Het is eruit, ik heb het gezegd.
En als ik dan omhoog kijk, en zie hoe die ellendige rotzon mij hangt uit te lachen, ginds hoog in het zwerk, besef ik weer waarom ik die bokszak, in mijn garage hangend als een zwijn in een slachthuis, gekocht heb.
Zweetvorming! Daar is ze goddomme goed voor, die klotezon! Maar wacht maar, gij lumineuze loeder, binnen ettelijke miljoenen/-jarden jaren, wanneer gij de laatste stralen uit uw hol perst en gij met een laatste flauwe scheet het laatste beetje licht de ruimte in stuurt. Ik - of toch de stofpartikels die tegen dan nog van mij over zijn - zal u luidkeels bespotten!
Mijn lach zal het heelal doorkruisen en u treffen als een op uw graf pissende zatlap! En de genadeslag zal ik u toedienen, gij hoer van de zonne-energieindustrie! "Brenger van leven", PHA! Brenger van hitte, zweetranden en zonnebrand ja! En wanneer gij dan uw laatste ademtocht slaakt, zal mijn geest over u hangen en met spottende ogen zal ik de laatste wraakfluim op uw voorhoofd planten. En, onderwijl mijn kin afvegend met mijn mouw, zal ik de deur uwer kamer achter mij dichtsmijten en uw kot in brand steken.
En dán zult gij weten, vermaledijde castraat dat ge daar hangt, wat het belang is van een witte Pasen.
Waar is de tijd dat ik op Pasen als een razende gek de tuin in stormde op zoek naar halfgesmolten chocolade en speelgoed. Veel te ver weg, godverdomme. Alsof ik nu nog mijn lever naar de knoppen ga helpen omdat één of andere gek wat chocolade in mijn hof gesmeten heeft! Toen misschien ja, maar nu...? En speelgoed?! Was het maar waar! Ik zou nu nóg met die dingen kunnen spelen! Ja, dat soort man ben ik, ja. Het is eruit, ik heb het gezegd.
En als ik dan omhoog kijk, en zie hoe die ellendige rotzon mij hangt uit te lachen, ginds hoog in het zwerk, besef ik weer waarom ik die bokszak, in mijn garage hangend als een zwijn in een slachthuis, gekocht heb.
Zweetvorming! Daar is ze goddomme goed voor, die klotezon! Maar wacht maar, gij lumineuze loeder, binnen ettelijke miljoenen/-jarden jaren, wanneer gij de laatste stralen uit uw hol perst en gij met een laatste flauwe scheet het laatste beetje licht de ruimte in stuurt. Ik - of toch de stofpartikels die tegen dan nog van mij over zijn - zal u luidkeels bespotten!
Mijn lach zal het heelal doorkruisen en u treffen als een op uw graf pissende zatlap! En de genadeslag zal ik u toedienen, gij hoer van de zonne-energieindustrie! "Brenger van leven", PHA! Brenger van hitte, zweetranden en zonnebrand ja! En wanneer gij dan uw laatste ademtocht slaakt, zal mijn geest over u hangen en met spottende ogen zal ik de laatste wraakfluim op uw voorhoofd planten. En, onderwijl mijn kin afvegend met mijn mouw, zal ik de deur uwer kamer achter mij dichtsmijten en uw kot in brand steken.
En dán zult gij weten, vermaledijde castraat dat ge daar hangt, wat het belang is van een witte Pasen.
vrijdag 1 februari 2008
Elegie
Vrienden, familieleden,
Wij zijn hier allen aanwezig vanwege het overlijden onzer zó beminde groottante Hortence, een vrouw wier trots, vastberadenheid én mogelijkheid om vier truien in anderhalf uur te breien in heel de streek bekend was. Een vrouw, die tussen 1943 en 1952 elf Duitse vliegtuigen uit de lucht schoot met een buitgemaakt mortier, waarvoor ze naast het militair kruis 1ste klas voor buitengewone dienst of voor daad van moed of toewijding in de kroonorde, ook nog eens drie jaar cel kreeg.
Hortence was een klasse apart. We herinneren ons vast allemaal nog heel goed hoe ze je zonder boe of ba een klap in het gezicht kon geven als je haar ajuinensoep niet (snel genoeg) complimenteerde. En als je neusvleugel zich ook maar een fractie op afkeurende wijze waagde te verroeren, kon die klap gerust met een braadpan uitgedeeld worden. Haha, wat hebben we gelachen als zoiets zich voordeed!
Haar rechter was ook om andere redenen bekend. Toen Fons, de plaatselijke veefokker eens ziek het bed placht te houden en dus niet in staat was twee koeien te slachten, nam Hortence haar verantwoordelijkheid; ze spuugde zich in de handen, nam een klein aanloopje en gaf de eerste koe een klap van heb ik je daar. Het arme beest was op slag dood. Het tweede rund echter zorgde voor meer problemen. Het betrof een koe van het ras “een Pijnegemse fiere”. Mijn arm- en nekhaar rijst spontaan ten berge bij het horen van de naam. Nu goed, Hortence nam weer een aanloopje maar in plaats van het koebeest de rechter van haar leven te geven, gaf ze het een kopstoot van het kaliber “Graaf het putje maar al meteen!”. De overblijfselen van het arme dier worden nog steeds in een urne op boer Fons’ schouw bewaard…
Maar laat ons deze rede beginnen bij het begin: Hortence werd geboren op 22 februari 1894 in een ondergesneeuwd veld in Liedekerke. Terwijl haar moeder nog lag na te puffen in de sneeuw was zij al hout aan het sprokkelen om het gezin van een warm vuurtje te voorzien. Op achtjarige leeftijd bewerkte zij reeds de velden. Niet hún velden weliswaar, maar toch: vélden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte zij deel uit van de reservisten te paard. Helaas waren alle paarden op slinkse wijze gesaboteerd door de Duitsers en vervulde zij haar legerdienst dus op nagenoeg alles wat zich aandiende, gesteld dat het vier poten had. Zo heeft zij Duitsers neergemaaid, zittend op de rug van onder andere koeien, geiten, een nijlpaard, ontvreemd uit de zoo van Antwerpen én Roste Jef, de trompettist van fanfare “Lever en Eendracht”.
Zij heeft één zoon op de wereld gezet: “klein” Peerke, die ironisch genoeg de tweeënhalve meter nét niet overschreed en die net als zij een rund met één slag kon vellen. Hij kwam helaas op veertienjarige leeftijd om het leven in een poging bij een weddenschap een asfaltmachine met zijn blote handen tegen te houden, wat leidde tot een “klein” Peerkesachtige uitstulping halfweg de Assesteenweg. Waar vroeger een kruisteken te zijner ere stond, staat nu het bord “Bobbejaanland 68km”.
Alleszins, na honderd veertien jaar is groottante Hortence niet meer. Achttien hartoperaties hebben haar niet klein gekregen, maar die ene noodlottige vrachtwagen was misschien net iets te veel van het goede. Na nog eenderde kilometer groottante Hortence meegesleurd te hebben, kwam het gevaarte tot stilstand tegen een boom.
Ik kan alleen maar hopen dat ze in het hiernamaals even gelukkig is als hier op aarde.
Afsluitend zou ik toch nog even willen vermelden dat er straks aan de koffietafel ajuinensoep beschikbaar is.
Wij zijn hier allen aanwezig vanwege het overlijden onzer zó beminde groottante Hortence, een vrouw wier trots, vastberadenheid én mogelijkheid om vier truien in anderhalf uur te breien in heel de streek bekend was. Een vrouw, die tussen 1943 en 1952 elf Duitse vliegtuigen uit de lucht schoot met een buitgemaakt mortier, waarvoor ze naast het militair kruis 1ste klas voor buitengewone dienst of voor daad van moed of toewijding in de kroonorde, ook nog eens drie jaar cel kreeg.
Hortence was een klasse apart. We herinneren ons vast allemaal nog heel goed hoe ze je zonder boe of ba een klap in het gezicht kon geven als je haar ajuinensoep niet (snel genoeg) complimenteerde. En als je neusvleugel zich ook maar een fractie op afkeurende wijze waagde te verroeren, kon die klap gerust met een braadpan uitgedeeld worden. Haha, wat hebben we gelachen als zoiets zich voordeed!
Haar rechter was ook om andere redenen bekend. Toen Fons, de plaatselijke veefokker eens ziek het bed placht te houden en dus niet in staat was twee koeien te slachten, nam Hortence haar verantwoordelijkheid; ze spuugde zich in de handen, nam een klein aanloopje en gaf de eerste koe een klap van heb ik je daar. Het arme beest was op slag dood. Het tweede rund echter zorgde voor meer problemen. Het betrof een koe van het ras “een Pijnegemse fiere”. Mijn arm- en nekhaar rijst spontaan ten berge bij het horen van de naam. Nu goed, Hortence nam weer een aanloopje maar in plaats van het koebeest de rechter van haar leven te geven, gaf ze het een kopstoot van het kaliber “Graaf het putje maar al meteen!”. De overblijfselen van het arme dier worden nog steeds in een urne op boer Fons’ schouw bewaard…
Maar laat ons deze rede beginnen bij het begin: Hortence werd geboren op 22 februari 1894 in een ondergesneeuwd veld in Liedekerke. Terwijl haar moeder nog lag na te puffen in de sneeuw was zij al hout aan het sprokkelen om het gezin van een warm vuurtje te voorzien. Op achtjarige leeftijd bewerkte zij reeds de velden. Niet hún velden weliswaar, maar toch: vélden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte zij deel uit van de reservisten te paard. Helaas waren alle paarden op slinkse wijze gesaboteerd door de Duitsers en vervulde zij haar legerdienst dus op nagenoeg alles wat zich aandiende, gesteld dat het vier poten had. Zo heeft zij Duitsers neergemaaid, zittend op de rug van onder andere koeien, geiten, een nijlpaard, ontvreemd uit de zoo van Antwerpen én Roste Jef, de trompettist van fanfare “Lever en Eendracht”.
Zij heeft één zoon op de wereld gezet: “klein” Peerke, die ironisch genoeg de tweeënhalve meter nét niet overschreed en die net als zij een rund met één slag kon vellen. Hij kwam helaas op veertienjarige leeftijd om het leven in een poging bij een weddenschap een asfaltmachine met zijn blote handen tegen te houden, wat leidde tot een “klein” Peerkesachtige uitstulping halfweg de Assesteenweg. Waar vroeger een kruisteken te zijner ere stond, staat nu het bord “Bobbejaanland 68km”.
Alleszins, na honderd veertien jaar is groottante Hortence niet meer. Achttien hartoperaties hebben haar niet klein gekregen, maar die ene noodlottige vrachtwagen was misschien net iets te veel van het goede. Na nog eenderde kilometer groottante Hortence meegesleurd te hebben, kwam het gevaarte tot stilstand tegen een boom.
Ik kan alleen maar hopen dat ze in het hiernamaals even gelukkig is als hier op aarde.
Afsluitend zou ik toch nog even willen vermelden dat er straks aan de koffietafel ajuinensoep beschikbaar is.
Mjaaa Seeeg...!
Het jeukt. Jazeker. Jeuken! Soms heb ik van die dagen waarop ik denk: "Godverdomme, ik zou m'n ziel verkopen om haar nu te mogen bepotelen. Om met m'n vingers haar zachte lichaam af te tasten." Een stevige draai aan de uiteinden van de... nu ja, je weet wel, geven.
Eerst 'm er wel insteken. Anders is er wel enig geluid, een zacht gekerm, doch wanneer 'ie er volledig insteekt... ja, dan schreeuwt zij de hele buurt bijeen.
Soms gebruik ik een hulpstuk. Ik schaam me niet dat te zeggen. Dan beroer ik the sweet spot ermee. Sommigen zijn jaloers op mijn kunde. Soms hoor ik wel eens: "Waw Backer, jij bent zéker één van de beste van de streek! Zoniet dé beste!" maar dan zeg ik: "Mijn neef en zijn en mijn maat zeggen dat ook soms", want ja, zo ís het nu eenmaal. Zij vinden dat écht, en zij kunnen het weten!
Uiteindelijk is het ook niet zó moeilijk. Je moet er gewoon veel mee spelen. Oefening baart kunst!
Ja, een basgitaar, het is iets moois.
Eerst 'm er wel insteken. Anders is er wel enig geluid, een zacht gekerm, doch wanneer 'ie er volledig insteekt... ja, dan schreeuwt zij de hele buurt bijeen.
Soms gebruik ik een hulpstuk. Ik schaam me niet dat te zeggen. Dan beroer ik the sweet spot ermee. Sommigen zijn jaloers op mijn kunde. Soms hoor ik wel eens: "Waw Backer, jij bent zéker één van de beste van de streek! Zoniet dé beste!" maar dan zeg ik: "Mijn neef en zijn en mijn maat zeggen dat ook soms", want ja, zo ís het nu eenmaal. Zij vinden dat écht, en zij kunnen het weten!
Uiteindelijk is het ook niet zó moeilijk. Je moet er gewoon veel mee spelen. Oefening baart kunst!
Ja, een basgitaar, het is iets moois.
vrijdag 25 januari 2008
Pruimentijd
Ik kan genieten van een lekkere pruim. Des ochtends, voor of na het ontbijt. Maakt niet uit.
Als ze maar sappig is.
Aan droge pruimen heb ik niets. Daar blijf ik af. Het is als met druiven: als je ze droog wil, moet je maar van die verschrompelde rozijnen eten.
Uiteraard dien je je pruim wel adequaat te reinigen alvorens je ze in je mond steekt. Bacteriën, zie je.
Aan vuile pruimen heb ik niets. Daar blijf ik af. Het is als met noten: als je ze vuil wil, kan je ze evengoed in het bos lopen zoeken.
Noten. Ik ben geen fan van noten.
Aan noten heb ik niets. Daar blijf ik af. Het is als met een balzak: Euh... ja, daar blijf ik dus gewoon af.
Als ze maar sappig is.
Aan droge pruimen heb ik niets. Daar blijf ik af. Het is als met druiven: als je ze droog wil, moet je maar van die verschrompelde rozijnen eten.
Uiteraard dien je je pruim wel adequaat te reinigen alvorens je ze in je mond steekt. Bacteriën, zie je.
Aan vuile pruimen heb ik niets. Daar blijf ik af. Het is als met noten: als je ze vuil wil, kan je ze evengoed in het bos lopen zoeken.
Noten. Ik ben geen fan van noten.
Aan noten heb ik niets. Daar blijf ik af. Het is als met een balzak: Euh... ja, daar blijf ik dus gewoon af.
dinsdag 22 januari 2008
Wat is een gedachte?
Daarnet schoot me een gedachte door het hoofd. En daarna nóg één, namelijk de gedachte: Wat is een gedachte? En IS een gedachte überhaupt wel? Bestaat er zo iets als een Gedachte? Sta me toe even in filosofisch gepeins te vervallen. Denk even met me mee.
Wanneer bestaat iets? Als het waarneembaar is, neen? Om waar te nemen hebben wij, de Mens, vijf zintuigen gekregen: het zicht, het gehoor, de geur, de smaakzin en de tastzin. Mijn docente Psychologie zou hieraan willen toevoegen dat het met de huid waarnemen van druk, pijn en temperatuur ook als zintuig beschouwd wordt, alsook het evenwichtszintuig en de proprioceptie (het vermogen van een organisme om de positie van het eigen lichaam en lichaamsdelen waar te nemen).
Alleszins: ons voorstellingsvermogen en onze mogelijkheid tot denken, net dát wat ons onderscheidt van de dieren, hoort hier niet bij. Een gedachte is dus niet waarneembaar met de zintuigen en bestaat derhalve niet, zoals de schoonheid van de logica ons leert.
"Jamaar, we kunnen een gedachte toch verwoorden, dus bestaat ze toch wél?" Neen, want dat is slechts de veruitwendiging van de gedachte en dus niet de gedachte an sich.
Het feit dat we bij het begrip "gedachte" meteen weten waarover het gaat, doet echter uitschijnen dat er dus wél zoiets is. In ons brein. Maar het feit dat dingen die zich in ons hoofd afspelen, zoals bv. dromen, als onwaar bestempeld worden, laat dan weer uitschijnen dat deze dingen (want hoe moet je ze benoemen...?) níet zouden bestaan. "Dromen zijn bedrog" zoals men zegt.
Het feit dat we deze dingen wel ervaren, bewijst dat ze bestaan. Maar niet in de realiteit. Onze gedachtenwereld is een aparte wereld, verschillend van deze, als twee oevers, gescheiden door een brede, haast onoverbrugbare rivier. De enige brug eroverheen is die die we bewandelen als we denken, dromen, of ons in comateuze toestand bevinden.
Ik heb al gehoord van bepaalde indianenstammen die geloven dat hun droomwereld, de wereld die ze zien en ervaren in hun slaap of in trance, de échte wereld is. En dat de "échte" wereld, een droomwereld is. Twee werelden. Het schept ook een verband met nagenoeg élke religie: in ongeveer élke godsdienstige strekking gewaagt men van een leven na de dood.
Dan stelt zich natuurlijk ook de vraag, of er nóg zulke werelden bestaan. En dan wordt dat leven na de dood plots iets aannemelijker.
(Ik wil op dit punt nogmaals herhalen, dat ik hier niets meer dan een denkoefening uitvoer. Ik geloof niet per se wat ik hier allemaal neergeschreven heb. Het is louter een oefening.)
Een leven na de dood, in een nieuwe wereld, volgende op of parallel aan onze huidige leefwereld. Of voorafgaande aan dit huidige leven. Is de tijd wel een cumulatief proces, zoals we onszelf zo vaak voorhouden? Is tijd geen illusie? Het ene stilstaande beeld, volgend op het andere.
Het is al laat. Tool schalt door de speakers. Vergeef mij.
Wanneer bestaat iets? Als het waarneembaar is, neen? Om waar te nemen hebben wij, de Mens, vijf zintuigen gekregen: het zicht, het gehoor, de geur, de smaakzin en de tastzin. Mijn docente Psychologie zou hieraan willen toevoegen dat het met de huid waarnemen van druk, pijn en temperatuur ook als zintuig beschouwd wordt, alsook het evenwichtszintuig en de proprioceptie (het vermogen van een organisme om de positie van het eigen lichaam en lichaamsdelen waar te nemen).
Alleszins: ons voorstellingsvermogen en onze mogelijkheid tot denken, net dát wat ons onderscheidt van de dieren, hoort hier niet bij. Een gedachte is dus niet waarneembaar met de zintuigen en bestaat derhalve niet, zoals de schoonheid van de logica ons leert.
"Jamaar, we kunnen een gedachte toch verwoorden, dus bestaat ze toch wél?" Neen, want dat is slechts de veruitwendiging van de gedachte en dus niet de gedachte an sich.
Het feit dat we bij het begrip "gedachte" meteen weten waarover het gaat, doet echter uitschijnen dat er dus wél zoiets is. In ons brein. Maar het feit dat dingen die zich in ons hoofd afspelen, zoals bv. dromen, als onwaar bestempeld worden, laat dan weer uitschijnen dat deze dingen (want hoe moet je ze benoemen...?) níet zouden bestaan. "Dromen zijn bedrog" zoals men zegt.
Het feit dat we deze dingen wel ervaren, bewijst dat ze bestaan. Maar niet in de realiteit. Onze gedachtenwereld is een aparte wereld, verschillend van deze, als twee oevers, gescheiden door een brede, haast onoverbrugbare rivier. De enige brug eroverheen is die die we bewandelen als we denken, dromen, of ons in comateuze toestand bevinden.
Ik heb al gehoord van bepaalde indianenstammen die geloven dat hun droomwereld, de wereld die ze zien en ervaren in hun slaap of in trance, de échte wereld is. En dat de "échte" wereld, een droomwereld is. Twee werelden. Het schept ook een verband met nagenoeg élke religie: in ongeveer élke godsdienstige strekking gewaagt men van een leven na de dood.
Dan stelt zich natuurlijk ook de vraag, of er nóg zulke werelden bestaan. En dan wordt dat leven na de dood plots iets aannemelijker.
(Ik wil op dit punt nogmaals herhalen, dat ik hier niets meer dan een denkoefening uitvoer. Ik geloof niet per se wat ik hier allemaal neergeschreven heb. Het is louter een oefening.)
Een leven na de dood, in een nieuwe wereld, volgende op of parallel aan onze huidige leefwereld. Of voorafgaande aan dit huidige leven. Is de tijd wel een cumulatief proces, zoals we onszelf zo vaak voorhouden? Is tijd geen illusie? Het ene stilstaande beeld, volgend op het andere.
Het is al laat. Tool schalt door de speakers. Vergeef mij.
dinsdag 15 januari 2008
Anders
Ik controleerde zonet of er geen nieuwe reacties waren op de literaire diarree die mijn hersenen wekelijks het wereldwijde web op kakken. Nee dus. Dan stelt zich de vraag naar het waarom natuurlijk. Wordt mijn bijdrage aan de Virtuele Mesthoop die wij kennen als 'het internet', straal genegeerd? Is de interesse van weleer in de hersenspinsels die onder mijn cranium in het wilde weg poffen als kastanjes in een (hersen)pan, tanende? Could it be? Dit roept om drastische maatregelen! En daarom...
Sören kwam die dag vroeger thuis dan Anders. Sören en Anders waren een Deens koppel. Het soort koppel dat zich al eens verloor in een Roze Rodeo, doch dit geheel terzijde; Sören kwam die dag vroeger thuis dan Anders.
"Vreemd," dacht Sören, "Anders is anders zelden of nooit te laat. Er zal toch niets gebeurd zijn?"
Maar Sörens woorden waren nog niet koud of daar ging reeds de bel. Sören opende de voordeur en daar stond Anders, anders dan anders.
"Ik weet wat je gaat vragen..."
- "Oh? Wat dan?"
- "Je gaat vragen waar mijn schoenen heen zijn."
- "Wat anders?"
- "DAT JE GAAT VRAGEN WAAR MIJN SCHOENEN HEEN ZIJN!"
Sören voelde de haat in zich opborrelen. Anders had zich wel vaker bezondigd aan het sabbelen aan de plompe tiet der debiliteit. Telkens weer had Sören zijn bloed voelen koken, doch elke keer weer had hij zich kunnen beheersen. Maar deze keer niet. Deze keer was Anders te ver gegaan. En deze keer zou Sören zijn woede niet kanaliseren door middel van het uitwrijven zijner stront op de muren van de woonkamer, zoals zijn therapeut, Prof. Dr. Jos Stofregen, gediplomeerd psychiater en fervent amateur-polsstokspringer, hem destijds, na een zestien uur-durende marathonsessie, aangeraden had. Deze keer zou hij niet in een vaas kotsen en deze door middel van een loeiharde (vrije) trap het zwerk - en de tuin van de buren - in jagen. Deze keer niet. Deze keer was... anders.
Sörens wangen werden helrood, bijna paars. Enkele adertjes in zijn ogen waren gebarsten en de dikkere en prominenter aanwezige ader die zijn voorhoofd in twee helften verdeelde, leek zich in een discotheek te wanen, in die zin dat de snelheid en kracht waarmee de ader het bloed door Sörens kop stuwde, niet zou misstaan hebben in een keet waar de kreet "Broek af, tetten bloot, Hollandse hoeren!" nog iets betékent. Waar dit nog géén loze woorden zijn.
"Zo kan het niet langer, Anders. Liefde is méér dan tweemaal daags je snikkel in mijn hol duwen. We zijn met twéé in deze relatie en je dient rekening met mij te houden. Anders wordt je maar andermans Anders, Anders. Of nóg anders ga je maar terug bij je vorige liefje. Dan ben je weer Annemans' Anders. Alleszins, het moet Anders, anders. Of nee, andersom."
- "Maar... hoe bedoel je; 'anders'?"
- "Hoe bedoel je, Anders?"
- "Ik bedoel... hoe zou jij 'anders' definiëren?"
- "Als een prachtwezen met een mooie onthaarde borst, voorzien van een geile tepelpiercing. Mocht men mij vragen: "Sören, hoe zou jij 'Anders' definiëren?" zou ik dát antwoorden, en vragen hoe je 'Anders' anders zou definiëren."
- "Maar neen...!"
- "Niet goed? Moet het anders?"
- "Neen, ik bedoel..."
- "Wat wil je nu eigenlijk, Anders?"
- "Wat wil jíj anders?! Dat vraag ik je hier nu al vijf minuten!"
- "Ik wil jou, Anders."
- "Maar hoe dan?! Hoe wil je me dan anders?!"
- "Hier en nu." Sören duwde Anders tegen de muur en zijn tong hartstochtelijk in diens keelgat.
"Wacht even," zei Sören, en hij verdween richting keuken. Enkele ogenblikken later stond hij weer in de inkomhal. Naakt, met olijfolie ingestreken en met een literpot vaseline in zijn knuisten geklemd.
"Hoe kan het ook anders..." stamelde Anders.
Later die nacht verliet Anders het pand, zijn tred enigszins anders dan anders.
Sören kwam die dag vroeger thuis dan Anders. Sören en Anders waren een Deens koppel. Het soort koppel dat zich al eens verloor in een Roze Rodeo, doch dit geheel terzijde; Sören kwam die dag vroeger thuis dan Anders.
"Vreemd," dacht Sören, "Anders is anders zelden of nooit te laat. Er zal toch niets gebeurd zijn?"
Maar Sörens woorden waren nog niet koud of daar ging reeds de bel. Sören opende de voordeur en daar stond Anders, anders dan anders.
"Ik weet wat je gaat vragen..."
- "Oh? Wat dan?"
- "Je gaat vragen waar mijn schoenen heen zijn."
- "Wat anders?"
- "DAT JE GAAT VRAGEN WAAR MIJN SCHOENEN HEEN ZIJN!"
Sören voelde de haat in zich opborrelen. Anders had zich wel vaker bezondigd aan het sabbelen aan de plompe tiet der debiliteit. Telkens weer had Sören zijn bloed voelen koken, doch elke keer weer had hij zich kunnen beheersen. Maar deze keer niet. Deze keer was Anders te ver gegaan. En deze keer zou Sören zijn woede niet kanaliseren door middel van het uitwrijven zijner stront op de muren van de woonkamer, zoals zijn therapeut, Prof. Dr. Jos Stofregen, gediplomeerd psychiater en fervent amateur-polsstokspringer, hem destijds, na een zestien uur-durende marathonsessie, aangeraden had. Deze keer zou hij niet in een vaas kotsen en deze door middel van een loeiharde (vrije) trap het zwerk - en de tuin van de buren - in jagen. Deze keer niet. Deze keer was... anders.
Sörens wangen werden helrood, bijna paars. Enkele adertjes in zijn ogen waren gebarsten en de dikkere en prominenter aanwezige ader die zijn voorhoofd in twee helften verdeelde, leek zich in een discotheek te wanen, in die zin dat de snelheid en kracht waarmee de ader het bloed door Sörens kop stuwde, niet zou misstaan hebben in een keet waar de kreet "Broek af, tetten bloot, Hollandse hoeren!" nog iets betékent. Waar dit nog géén loze woorden zijn.
"Zo kan het niet langer, Anders. Liefde is méér dan tweemaal daags je snikkel in mijn hol duwen. We zijn met twéé in deze relatie en je dient rekening met mij te houden. Anders wordt je maar andermans Anders, Anders. Of nóg anders ga je maar terug bij je vorige liefje. Dan ben je weer Annemans' Anders. Alleszins, het moet Anders, anders. Of nee, andersom."
- "Maar... hoe bedoel je; 'anders'?"
- "Hoe bedoel je, Anders?"
- "Ik bedoel... hoe zou jij 'anders' definiëren?"
- "Als een prachtwezen met een mooie onthaarde borst, voorzien van een geile tepelpiercing. Mocht men mij vragen: "Sören, hoe zou jij 'Anders' definiëren?" zou ik dát antwoorden, en vragen hoe je 'Anders' anders zou definiëren."
- "Maar neen...!"
- "Niet goed? Moet het anders?"
- "Neen, ik bedoel..."
- "Wat wil je nu eigenlijk, Anders?"
- "Wat wil jíj anders?! Dat vraag ik je hier nu al vijf minuten!"
- "Ik wil jou, Anders."
- "Maar hoe dan?! Hoe wil je me dan anders?!"
- "Hier en nu." Sören duwde Anders tegen de muur en zijn tong hartstochtelijk in diens keelgat.
"Wacht even," zei Sören, en hij verdween richting keuken. Enkele ogenblikken later stond hij weer in de inkomhal. Naakt, met olijfolie ingestreken en met een literpot vaseline in zijn knuisten geklemd.
"Hoe kan het ook anders..." stamelde Anders.
Later die nacht verliet Anders het pand, zijn tred enigszins anders dan anders.
donderdag 10 januari 2008
Eurosong 2008
Daarnet bezocht ik de webstek van Het Nieuwsblad. Doorgaans check ik die van het VRT-nieuws, maar aangezien 's nieuwsdiensts nieuwe site één van de lelijkste en minst functionele is die ik ooit onder ogen heb gehad, bezoek ik eerder die van Het Nieuwsblad. Het mag al eens iets toegankelijker zijn. Ik kijk trouwens nog liever zó lang naar een bord erwtensoep dat ik spontaan begin te gisten, dan de site van het VRT-nieuws nog langer te frequenteren!
Goed, ik las enkele berichten. Onder andere dat Gert Verhulst voor de nieuwe Studio 100-productie "Foei, minister!" vanaf 11 april in de huid van een warmbloedige minister kruipt, die zijn vrouw wijsmaakt dat hij lang moet vergaderen, om met zijn maitresse te kunnen stoeien in een hotel. Blonde stoot van dienst: VT4-presentatrice Hanne Troonbeeckx. (bron: http://www.nieuwsblad.be/) Wat een storyline! Daar kunnen ze ongetwijfeld járen op voortbouwen! Lijkt me trouwens gewoon een tv-bewerking van Bill Clinton's werkweek, toen hij nog níet Hillary's full-time schoothondje was. In België kan zoiets ook helemaal niet. Zie je het oppereunuch Yves Leterme al doen?
Maar dus. Ik las enkele berichten toen mijn oog viel op een stukje Web-TV dat aankondigde hoe enkele BV's (wat moet je daarvoor tegenwoordig eigenlijk nog bereikt hebben?) euh... aankondigden dat en hoe ze ons land hoopten te vertegenwoordigen op het opper-Schmalzgebeuren, genaamd EUROSONG.
Passeerden onder andere de revue: Geena Lisa, Betty, Brahim en Tanja Dexters. Het absolute kruim van de Vlaamse muziekbusiness dus.
Geena Lisa had zoiets van "durf eens roepen als je wil roepen, durf eens meedoen aan Eurosong terwijl iedereen je gek verklaart." Zozo, ze had dan toch al door dat mensen je gek verklaren als je aan zo'n kermisgebeuren meedoet. Geheel terecht, overigens.
Ze vertelde dat haar nummer gefabriceerd was (want hoe moet je zoiets nog noemen) door een gerenommeerd Vlaams producer (ja, dat het Timbaland niet was, daar had ik me ook wel al mentaal op voorbereid...), die de hele boel dan nog eens achteraf door de electro-molen gehaald heeft. Ongetwijfeld ter maskering van schoonheidsfoutjes die uiteraard niets met Geena Lisa's stem an sich te maken hebben.
Next in line: Betty Owc... Owsca... Oscwarek... euh... van Big Brother. "Piekeren", tieten, een mate van -kuch- "sex appeal" dat in één slagerij en enkele "minder high society" cafés ergens te lande zonder twijfel wist aan te slaan. Doch niet hier. Hoewel een tiet er altijd in gaat bij deze jongen. But then again: bij welke jongen níet. En toch, een beetje klasse geeft een tiet toch altijd een extra dimensie. Begrijp je?
Betty heet nu Femme Fatale. Waarom "fatale"? Zit er een ontstekingsmechanisme in één harer uiers? West-Vlaamse tieten zijn immers van het landelijke type. Het type waarop je ter ultieme stimulatie maar beter een melkmachine kan bevestigen.
Het geBettyte gaat voor een soort Madonna-/Kylie Minogue-vibe. De vijfendertig én het muzikale hoogtepunt al lang gepasseerd dus. Waar lag dat hoogtepunt voor Betty trouwens?
Brahim, de West-Vlaamse Kaye Styles en dus per definitie the baddest man west of Leuven-Centraal, wist ons te melden dat hij op nog geen kwartier tijd het beste nummer uit zijn carrière geschreven heeft. Dat móet dus wel een absolute klassieker worden! Het Belgische antwoord op de Imagines, Satisfactions en Paradises By The Dashboard Light van deze wereld. Het nummer is ook van dermate originaliteit dat mijn hoofd spontaan zou ontploffen als ik nog maar dénk aan de originaliteit ervan. Het gaat immers over het prille begin van verliefd-zijn. In mijn geval houdt het absolute prille begin van verliefd-zijn in dat ik een zekere fixatie ontwikkel voor bepaalde lichamelijke aspecten van het mokkel in kwestie. Nou, nee. Het absolute absolute begin van verliefd-zijn, zijn bij mij de gevleugelde woorden: "Ziet dau', wad' een bieken!"
Tanja Dexters, de Vlaamse Mariah Carey (dat octaafbereik!), maar dan in overleden toestand, is voorzien van twee dansers die "perfect uitbeelden waar het over gaat". Het lied gaat ongetwijfeld om twee nichten van het type waar zelfs Felicé voor terugdeinst. Koen Crucke met Paul De Leeuw bevestigd aan zijn anus, is ongetwijfeld minder gay dan deze twee kerels.
Had ík maar een homofiele neef, dan was mijn neef ook mijn nicht. Doch dit geheel terzijde: Eurosong 2008 wordt een succes, ongeacht wíe we er heen sturen!
Last but not least kwam ene Esther nog wat aankakken met de stelling dat Vlamingen niet chauvinistisch genoeg zijn en dat de Vlaamse taal toch zo mooi is. Mocht ze zeggen dat Bélgen niet chauvinistisch genoeg zijn, zou ik het wicht nog sympathiek vinden, of toch op zijn minst gelóven. Mensen die zichzelf Vlaming noemen, zijn bijna per definitie chauvinistisch. Misplaatst chauvinistisch, want waarop zou men trots kunnen zijn als je woont op een lap land ter grootte van een postzegel? Al die chauvinisten zijn trouwens Antwerpenaren, want ja, is er iets om trots over te zijn dat zich níet in Antwerpen bevindt?
We kunnen dus eigenlijk concluderen dat de Antwerpse inzending voor Eurosong 2008 de concurrentie van haar sokken zal blazen. Kan Antwerpen immers ooit falen?
Waarmee ik na een nieuwe literaire geboorte (het hele Eurosong-gedeelte) toch ook weer een interessante nageboorte uit mijn mentale preut geduwd heb.
Goed, ik las enkele berichten. Onder andere dat Gert Verhulst voor de nieuwe Studio 100-productie "Foei, minister!" vanaf 11 april in de huid van een warmbloedige minister kruipt, die zijn vrouw wijsmaakt dat hij lang moet vergaderen, om met zijn maitresse te kunnen stoeien in een hotel. Blonde stoot van dienst: VT4-presentatrice Hanne Troonbeeckx. (bron: http://www.nieuwsblad.be/) Wat een storyline! Daar kunnen ze ongetwijfeld járen op voortbouwen! Lijkt me trouwens gewoon een tv-bewerking van Bill Clinton's werkweek, toen hij nog níet Hillary's full-time schoothondje was. In België kan zoiets ook helemaal niet. Zie je het oppereunuch Yves Leterme al doen?
Maar dus. Ik las enkele berichten toen mijn oog viel op een stukje Web-TV dat aankondigde hoe enkele BV's (wat moet je daarvoor tegenwoordig eigenlijk nog bereikt hebben?) euh... aankondigden dat en hoe ze ons land hoopten te vertegenwoordigen op het opper-Schmalzgebeuren, genaamd EUROSONG.
Passeerden onder andere de revue: Geena Lisa, Betty, Brahim en Tanja Dexters. Het absolute kruim van de Vlaamse muziekbusiness dus.
Geena Lisa had zoiets van "durf eens roepen als je wil roepen, durf eens meedoen aan Eurosong terwijl iedereen je gek verklaart." Zozo, ze had dan toch al door dat mensen je gek verklaren als je aan zo'n kermisgebeuren meedoet. Geheel terecht, overigens.
Ze vertelde dat haar nummer gefabriceerd was (want hoe moet je zoiets nog noemen) door een gerenommeerd Vlaams producer (ja, dat het Timbaland niet was, daar had ik me ook wel al mentaal op voorbereid...), die de hele boel dan nog eens achteraf door de electro-molen gehaald heeft. Ongetwijfeld ter maskering van schoonheidsfoutjes die uiteraard niets met Geena Lisa's stem an sich te maken hebben.
Next in line: Betty Owc... Owsca... Oscwarek... euh... van Big Brother. "Piekeren", tieten, een mate van -kuch- "sex appeal" dat in één slagerij en enkele "minder high society" cafés ergens te lande zonder twijfel wist aan te slaan. Doch niet hier. Hoewel een tiet er altijd in gaat bij deze jongen. But then again: bij welke jongen níet. En toch, een beetje klasse geeft een tiet toch altijd een extra dimensie. Begrijp je?
Betty heet nu Femme Fatale. Waarom "fatale"? Zit er een ontstekingsmechanisme in één harer uiers? West-Vlaamse tieten zijn immers van het landelijke type. Het type waarop je ter ultieme stimulatie maar beter een melkmachine kan bevestigen.
Het geBettyte gaat voor een soort Madonna-/Kylie Minogue-vibe. De vijfendertig én het muzikale hoogtepunt al lang gepasseerd dus. Waar lag dat hoogtepunt voor Betty trouwens?
Brahim, de West-Vlaamse Kaye Styles en dus per definitie the baddest man west of Leuven-Centraal, wist ons te melden dat hij op nog geen kwartier tijd het beste nummer uit zijn carrière geschreven heeft. Dat móet dus wel een absolute klassieker worden! Het Belgische antwoord op de Imagines, Satisfactions en Paradises By The Dashboard Light van deze wereld. Het nummer is ook van dermate originaliteit dat mijn hoofd spontaan zou ontploffen als ik nog maar dénk aan de originaliteit ervan. Het gaat immers over het prille begin van verliefd-zijn. In mijn geval houdt het absolute prille begin van verliefd-zijn in dat ik een zekere fixatie ontwikkel voor bepaalde lichamelijke aspecten van het mokkel in kwestie. Nou, nee. Het absolute absolute begin van verliefd-zijn, zijn bij mij de gevleugelde woorden: "Ziet dau', wad' een bieken!"
Tanja Dexters, de Vlaamse Mariah Carey (dat octaafbereik!), maar dan in overleden toestand, is voorzien van twee dansers die "perfect uitbeelden waar het over gaat". Het lied gaat ongetwijfeld om twee nichten van het type waar zelfs Felicé voor terugdeinst. Koen Crucke met Paul De Leeuw bevestigd aan zijn anus, is ongetwijfeld minder gay dan deze twee kerels.
Had ík maar een homofiele neef, dan was mijn neef ook mijn nicht. Doch dit geheel terzijde: Eurosong 2008 wordt een succes, ongeacht wíe we er heen sturen!
Last but not least kwam ene Esther nog wat aankakken met de stelling dat Vlamingen niet chauvinistisch genoeg zijn en dat de Vlaamse taal toch zo mooi is. Mocht ze zeggen dat Bélgen niet chauvinistisch genoeg zijn, zou ik het wicht nog sympathiek vinden, of toch op zijn minst gelóven. Mensen die zichzelf Vlaming noemen, zijn bijna per definitie chauvinistisch. Misplaatst chauvinistisch, want waarop zou men trots kunnen zijn als je woont op een lap land ter grootte van een postzegel? Al die chauvinisten zijn trouwens Antwerpenaren, want ja, is er iets om trots over te zijn dat zich níet in Antwerpen bevindt?
We kunnen dus eigenlijk concluderen dat de Antwerpse inzending voor Eurosong 2008 de concurrentie van haar sokken zal blazen. Kan Antwerpen immers ooit falen?
Waarmee ik na een nieuwe literaire geboorte (het hele Eurosong-gedeelte) toch ook weer een interessante nageboorte uit mijn mentale preut geduwd heb.
maandag 7 januari 2008
D-Day
Vandaag was het zover. Niet zover als in zomer maar dan met een v, veeleer zovèr. Zo ver, zo u wil. Maar ja, dat staat wat raar. Mocht ik een klompvoet hebben, dan stond ik ook wat raar. Doch dit geheel terzijde!
D-Day! Vandaag nam de examenperiode officieel een aanvang. "Begon", dus eigenlijk. Ik heb de neiging bepaalde subjecten op in comprehensiedifficulteit toegenomen wijze te declameren.
Examens! Ik kijk er ongeveer even hard naar uit als naar een aanstaande scrotumwax, edoch: ze zijn er nu eenmaal. Twee ineens dan nog, vandaag, alsof het niets kost! Psycho- en antropologie alsjeblieft! Hans, Ro & Pol's orgie? Vreemd...
Niets dan onsamenhangend gezwets! Waartoe dient het allemaal? Weet ik veel. Wat kan het mij schelen.
Jullie lezen het toch maar.
D-Day! Vandaag nam de examenperiode officieel een aanvang. "Begon", dus eigenlijk. Ik heb de neiging bepaalde subjecten op in comprehensiedifficulteit toegenomen wijze te declameren.
Examens! Ik kijk er ongeveer even hard naar uit als naar een aanstaande scrotumwax, edoch: ze zijn er nu eenmaal. Twee ineens dan nog, vandaag, alsof het niets kost! Psycho- en antropologie alsjeblieft! Hans, Ro & Pol's orgie? Vreemd...
Niets dan onsamenhangend gezwets! Waartoe dient het allemaal? Weet ik veel. Wat kan het mij schelen.
Jullie lezen het toch maar.
zaterdag 29 december 2007
...En wat ligt 'ie daar te doen?
Daarstraks onder het schijten even in een lachbui uitgebarsten. Ik vind Humo tegenwoordig niet zo sterk meer, maar (pdw)'s Zappa-rubriek blijft een hoogtepunt: "Ah, niets geschikter om een verloren donderdag mee op te vrolijken dan een verzameling opengesperde Vlaamse vagijnen: 'Babyboom' (VTM, 21.10)." Lachen! Het maagdelijke porselein kreeg prompt een bruine stortbui over zich heen...
Ik stel mij dan ook soms vragen bij het hele schijtproces en in hoeverre het verschilt met een kind op de wereld zetten. Doorgaans gaat de geboorte van een kind gepaard met vreugde. De "geboorte" van een dampende keutel daarentegen is dan weer de mens in zijn meest kwetsbare toestand. De grootsheid van het menselijke brein en al de wereldlijke producten en verwezenlijkingen ervan, lijken er haast door gedevalueerd. Ik verdenk er sommige intellectuelen dan ook van dat ze in het geheel niet schijten.
Wat dan ook duidelijk van hun gezicht af te lezen lijkt.
Als ik de lijn euh... doortrek naar de actualiteit, stel ik me nog méér vragen: Zoals ik al zei brengt de geboorte van kind en keutel totaal verschillende gevoelens bij de mens teweeg. Waar ik naartoe wil, is dit:
Als een vrouw haar pasgeboren kind dumpt in een vuilbak, op het strand of in het zogenaamde vondelingenluik (wat een anomalie van het menselijke gedragspatroon is: een moeder hoort haar kind graag te zien en liefdevol te koesteren), wil dat dan zeggen dat ze haar fecaliën thuis tegen de borst klemt en een babyfoon op het toilet zet?
Als er stront in het bos ligt, maar er is niemand in de buurt, stinkt 'ie dan?
Ik stel mij dan ook soms vragen bij het hele schijtproces en in hoeverre het verschilt met een kind op de wereld zetten. Doorgaans gaat de geboorte van een kind gepaard met vreugde. De "geboorte" van een dampende keutel daarentegen is dan weer de mens in zijn meest kwetsbare toestand. De grootsheid van het menselijke brein en al de wereldlijke producten en verwezenlijkingen ervan, lijken er haast door gedevalueerd. Ik verdenk er sommige intellectuelen dan ook van dat ze in het geheel niet schijten.
Wat dan ook duidelijk van hun gezicht af te lezen lijkt.
Als ik de lijn euh... doortrek naar de actualiteit, stel ik me nog méér vragen: Zoals ik al zei brengt de geboorte van kind en keutel totaal verschillende gevoelens bij de mens teweeg. Waar ik naartoe wil, is dit:
Als een vrouw haar pasgeboren kind dumpt in een vuilbak, op het strand of in het zogenaamde vondelingenluik (wat een anomalie van het menselijke gedragspatroon is: een moeder hoort haar kind graag te zien en liefdevol te koesteren), wil dat dan zeggen dat ze haar fecaliën thuis tegen de borst klemt en een babyfoon op het toilet zet?
Als er stront in het bos ligt, maar er is niemand in de buurt, stinkt 'ie dan?
vrijdag 28 december 2007
"Prettige Fee..." - NEEN!
Neen! Ik weiger! Ik weiger je pertinent "Prettige Feestdagen!" te wensen. Een hardnekkig verlangen naar een pijnlijke dood maakt zich van mij meester elke keer ik iemand in ludieke kerstoutfit (al dan niet voorzien van maretak en kleurige (kerst)ballen), met een alle grenzen van de debiliteit overschrijdende glimlach, op mij zie afkomen.
"Prettige Feestdagen, jongen!"
- "Euh... jaja. Voor u ook..."
En alweer voel ik mezelf een beetje sterven vanbinnen. Het is als dat gevoel dat je kan hebben als je net een heel klein beetje in je mond overgegeven hebt. Ken je het? Dat je probeert te boeren, maar dat er nét iets te veel mee naar boven komt. En daar sta je dan: met een zure smaak in je mond en een hardnekkig gevoel van teleurstelling in jezelf.
"Prettige Feestdagen!" Wat is er eigenlijk zo préttig aan de feestdagen?! Het ene "feest" na het andere: drukdoenerij en opgeklopte vrolijkheid, voer dat té duur en té niet te vreten is. Een vier- à vijftal gangen, waarvan er zeker drie veredeld hondenvoer zijn. Wie ben jij om tegen te spreken dat het niet recht uit een zak Frolic komt?
En de ramp is dan nog dat áls het dan smaakt (foutje van de chef!), het doorgaans veel te weinig is!
"Neen, je krijgt geen tweede portie! Straks is er nog dessert, dat zal je ook wel lekker vinden!"
MIJN GAT! Verdoefte taarten, ijs dat er op één of andere manier in geslaagd is te evolueren in iets dat géén ijs is en bovendien niet te vreten is, verdachte tiramisu... De feestdagen zijn één groot verwijt aan het adres van de gastronomie.
Of één grote lofbetuiging eraan.
Want ik kan je eerlijk zeggen dat ik nog maar zelden genoten heb van een restaurantbezoek. Op restaurant eet ik ofwel scampi's ofwel een gewone omelet. Ik ben een simpele jongen. Al die gastronomische foefjes moet ik niet. Dan krijg je een bord voorgeschoteld met een lapje vlees ter grootte van je duim, met één of ander sausje, twee aardappeltjes zo groot als je gonaden en wat mos, of toch iets wat er op lijkt.
Neen, dan eet ik thuis liever een (viertal) bord(en) filosoof (aardappel- en wortelpuree, met wat ajuin en gehakt: ik eet het per kilo!)
"Prettige Feestdagen!" Daar zit je dan, in je mooiste kloffie, te zweten als een rund onder die verlichting, met te veel mensen in een te kleine woonkamer.
"Kom, speelt ons nog eens een airken!" Je gaat achter de piano zitten. Je speelt wat blues of een boogietje. En dat geteisem babbelt gewoon voort! Alsof er géén zwetende dikkerd achter de piano zit!
Ten einde raad laat je het feestgedruis voor wat het is en begeef je je naar je kamer. De vesting. De tempel! HET HEILIGDO... - "KOMEN ETEEEN!!!"
Neen, deze jongen houdt niet van de feestdagen...
PS: En tussendoor nog moeten blokken ook...
"Prettige Feestdagen, jongen!"
- "Euh... jaja. Voor u ook..."
En alweer voel ik mezelf een beetje sterven vanbinnen. Het is als dat gevoel dat je kan hebben als je net een heel klein beetje in je mond overgegeven hebt. Ken je het? Dat je probeert te boeren, maar dat er nét iets te veel mee naar boven komt. En daar sta je dan: met een zure smaak in je mond en een hardnekkig gevoel van teleurstelling in jezelf.
"Prettige Feestdagen!" Wat is er eigenlijk zo préttig aan de feestdagen?! Het ene "feest" na het andere: drukdoenerij en opgeklopte vrolijkheid, voer dat té duur en té niet te vreten is. Een vier- à vijftal gangen, waarvan er zeker drie veredeld hondenvoer zijn. Wie ben jij om tegen te spreken dat het niet recht uit een zak Frolic komt?
En de ramp is dan nog dat áls het dan smaakt (foutje van de chef!), het doorgaans veel te weinig is!
"Neen, je krijgt geen tweede portie! Straks is er nog dessert, dat zal je ook wel lekker vinden!"
MIJN GAT! Verdoefte taarten, ijs dat er op één of andere manier in geslaagd is te evolueren in iets dat géén ijs is en bovendien niet te vreten is, verdachte tiramisu... De feestdagen zijn één groot verwijt aan het adres van de gastronomie.
Of één grote lofbetuiging eraan.
Want ik kan je eerlijk zeggen dat ik nog maar zelden genoten heb van een restaurantbezoek. Op restaurant eet ik ofwel scampi's ofwel een gewone omelet. Ik ben een simpele jongen. Al die gastronomische foefjes moet ik niet. Dan krijg je een bord voorgeschoteld met een lapje vlees ter grootte van je duim, met één of ander sausje, twee aardappeltjes zo groot als je gonaden en wat mos, of toch iets wat er op lijkt.
Neen, dan eet ik thuis liever een (viertal) bord(en) filosoof (aardappel- en wortelpuree, met wat ajuin en gehakt: ik eet het per kilo!)
"Prettige Feestdagen!" Daar zit je dan, in je mooiste kloffie, te zweten als een rund onder die verlichting, met te veel mensen in een te kleine woonkamer.
"Kom, speelt ons nog eens een airken!" Je gaat achter de piano zitten. Je speelt wat blues of een boogietje. En dat geteisem babbelt gewoon voort! Alsof er géén zwetende dikkerd achter de piano zit!
Ten einde raad laat je het feestgedruis voor wat het is en begeef je je naar je kamer. De vesting. De tempel! HET HEILIGDO... - "KOMEN ETEEEN!!!"
Neen, deze jongen houdt niet van de feestdagen...
PS: En tussendoor nog moeten blokken ook...
vrijdag 21 december 2007
No news from the eastern front
Er zijn zo van die dagen dat er eigenlijk niets te melden valt. Ik zal het dan ook niet doen.
Abonneren op:
Berichten (Atom)
