Vergezeld door een bulderend "OPGEHOEPELD, RAPENSCHIJTER!" vloog Eenoog Jack het water in, gevolgd door de papegaai die ooit op zijn schouder had gezeten, zij het toen diens nek nog niet ten prooi was gevallen aan de forse knuisten van Wilhelm de Bezetene, ook wel eens Willy met de Forse Knuisten genoemd, en de kruk waarmee Eenoog Jack zichzelf ooit staande had gehouden op het wankele dek van piratenschip De Niersteen.
Kapitein Wilhelm was er de man niet naar het stelen van thermische onderbroeken onbestraft te laten, zeker niet als het om zijn thermische onderbroek ging, laat staan als het om de thermische onderbroek ging die op het moment van de poging tot diefstal zijn voor- en achtersteven bedekte.
En dus overboord met Eenoog Jack. Terwijl deze zich probeerde drijvende te houden door zich wanhopig vast te klampen aan de kruk, de dooie papegaai en enkele inderhaast meegegraaide thermische onderbroeken, kwam Toby de Balorige Schandknaap aangehold.
"Was dat nu echt nodig, kapitein? Dat u als kapitein negen van de tien beschikbare thermische onderbroeken opeist lijkt me billijk, maar konden we niet gewoon een beurtensysteem hanteren voor die ene overgebleven onderbroek, in plaats van Eenoog Jack uit te sluiten?"
- "Hij had toch die vod uit ruwe wol om aan zijn kloten te binden?!"
- "Uiteraard kapitein, maar dat was ook wel de vod waarmee we de latrine uitkuisten..."
- "Omdat dat het enige stuk textiel was dat niet spontaan uiteenviel van zodra het in aanraking kwam met zijn reet! Daarbij, kom me niet zeggen dat die reet die vod niet verdiende, want zowel ik, gij, als die onfortuinlijke hoeren van Puerto Rio Haina vraten nog liever uit de latrine dan dat we Jacks kajuit binnengingen, al was het maar omdat het hout er scheeftrok van de penetrante strontwalm die de condensatie van het plafond deed druppen! De veren van zijn eerste papegaai verkleurden er van, godverdomme!"
- "Ja, dat arme beest was het minst appetijtelijke toiletpapier in jaren..."
Even staarden beide mannen naar het water onder hen, waarin Eenoog Jack het steeds moeilijker kreeg om boven water te blijven, aangezien er een druppel water in zijn oog gevlogen was en omdat zijn bewegingsvrijheid enigszins gehinderd werd door de drie thermische onderbroeken die hij aanhad, die bovendien zodanig veel water leken op te nemen dat een spons ervan zou gaan blozen. Een hysterisch gekrijs steeg dan ook op uit het kolkende water.
"Dat doet er mij trouwens aan denken, Toby, dat de inhoud van de latrines nog geledigd moet worden..."
Nadat een kwartier later de latrines geledigd waren, Eenoog Jack verzopen was, zij het niet voordat hij nog veertig liter, euh... kilo, euh... vier emmers latrineinhoud over zich heen had gekregen en zich verslikt had in een venijnig brokje kak, keerde de rust eindelijk weer op het dek van De Niersteen.
Puerto Rio Haina was ondertussen aan de horizon verschenen en de bemanning maakte zich op voor de nodige bordeelbezoeken; één bemanningslid had zijn eigen gouden tanden er alvast uitgeklopt om zich toch maar van een plaatsje te kunnen verzekeren op één van de smerige bedden van hoerenkot De Vleesboom, waar het zaad zo van de lakens sijpelde dat men zich nog steeds op volle zee waande.
Al had een échte zeebonk al genoeg voorpret denkend aan het moment waarop hij zijn kloten eens niet met zeewater diende te reinigen. Kapitein Wilhelm stond immers op hygiëne aan boord van zijn schuit. Hij had al meer dan één jonge knaap ten onder zien gaan aan de gevolgen van het inadequaat reinigen zijner kloten: het begon met een scheurtje tussen zak en anus, dat steeds groter en groter werd, tot op het punt dat men niet meer met zekerheid kon zeggen of men nu uit zijn hol of uit zijn navel aan het schijten was. Een trage, pijnlijke en bovenal bijzonder onwelriekende dood was het gevolg.
Daarom diende de bemanning van De Niersteen dagelijks voor- en achtersteven duchtig te schrobben zolang ze op zee waren, in tegenstelling tot wanneer ze zich op het vasteland begaven: dan wasten ze niks. Bovendien haalde men op zee al eens - en met veel plezier - een grapje uit en kon men er gif op innemen dat drie vierde van de emmers waar men de zak diende in te hangen, een kwal herbergde. De leuter zelve werd in tegenstelling tot de zak hoogst zelden gereinigd. Men wist nooit zeker of de zeilen van De Niersteen bol stonden van de strakke zeewind of van de sinusverschroeiende geur van ongewassen penissen.
"Het is dat ik zo'n rabiate vrouwenhater ben, Toby, of ik had het die ouwe kraaien van De Vleesboom allemaal bespaard. Persoonlijk duw ik mijn mast nog liever in een dood paard dan in een vrouw, laat staan het soort vrouw dat de kost - en in het geval van de piemels mijner bemanning: de kots - verdient in een etablissement als De Vleesboom, maar blijkbaar is er toch vraag naar dusdanig aan gort gepompte vagijnen dat ge er blindelings een driemaster doorheen navigeren kunt. En daarom heb ik u, jochie."
En terwijl zijn bemanning van boord ging, hoerenkot De Vleesboom enterde en het op een collectief zuipen en plunderen zette, nam Kapitein Wilhelm Toby mee naar zijn kajuit en stak zijn piemel in zijn navel.