Het moest zijn dat hij er danig behoefte aan had, want zowel voordien, tijdens als nadat hij het Wijf ei zo na de lippen van het arrogante strontbakkes geslagen had, was een stralende glimlach zijn gezicht blijven sieren.
Berthold was het zat geweest steevast onder de knoet zijner Wijf te worden gehouden. De niet aflatende stroom vernederingen was in de loop der jaren veranderd van een rustig kabbelend, wijd meanderend beekje in een kolkende modderstroom van affront, met een venijnige onderstroom van mentale terreur. En Berthold was het zat.
Het was na verloop van tijd zelfs op zijn walgreflex gaan werken. Zo gebeurde het dat Berthold gemiddeld rond de veertiende hatelijke opmerking van de avond weleens een kloeke halve liter gal het zwerk in blies, alvorens het contact met de vloer - en als hij geluk had ook het schoeisel van het Wijf - te verwezenlijken. Een keer had hij het getrokken tot de tweeëntwintigste sneer, maar hij had na afloop wijselijk besloten in het vervolg niet meer zo veel verzet op te brengen tegenover zijn braakneigingen, aangezien die ene grote gulp die avond meer dan één paar schoenen geslachtofferd had, en hoezeer hij zijn verontschuldigingen ook oprecht meende, had de echtgenote van zijn rechtstreekse baas, de minister van Openbare Werken, een gelaatsuitdrukking ten beste gegeven die qua zuurtegraad niet moest onderdoen voor Bertholds recent weder prijsgegeven maaginhoud. Al was het misschien ook niet zo'n goed idee van haar geweest die avond open schoenen te dragen.
Het Wijf wist niet wat haar overkwam. Berthold had - op zijn gevoelige walgreflex na - nooit enig teken van oplaaiende muiterij jegens haar gegeven, laat staan zijn rechtse hoek op haar neusbeen uitgeprobeerd. En terwijl het bloed uit haar neus spoot en hierbij ook haar schoeisel niet ontzag, zette ze het op een hysterisch krijsen.
Berthold, die eindelijk weer enige levensvreugde hervonden had, aanschouwde het hysteriegebeuren met dezelfde glimlach waarmee hij zonet haar keelgat enkele tanden cadeau had gedaan. Zelfs terwijl het Wijf het even dure als spuuglelijke servies dat ze nog van haar overgrootmoeder geërfd had, integraal naar zijn kop mikte, verdween de glimlach niet van zijn gezicht.
Ook het knevelen van het Wijf en her en der uitgieten van de jerrycans was met een glimlach gebeurd en deze verdween pas nadat Berthold zijn sleutels van de salontafel genomen had, een sigaret opstak en deze enkele minuten later half opgerookt richting keukenvloer flikkerde. En terwijl het huis in vlammen opging, reed hij naar zijn werk op het ministerie, hierbij slechts één keer tot remmen gedwongen: 'Wegenwerken. Omlegging langs de Kerkstraat'
Hij glimlachte.
Berthold was het zat geweest steevast onder de knoet zijner Wijf te worden gehouden. De niet aflatende stroom vernederingen was in de loop der jaren veranderd van een rustig kabbelend, wijd meanderend beekje in een kolkende modderstroom van affront, met een venijnige onderstroom van mentale terreur. En Berthold was het zat.
Het was na verloop van tijd zelfs op zijn walgreflex gaan werken. Zo gebeurde het dat Berthold gemiddeld rond de veertiende hatelijke opmerking van de avond weleens een kloeke halve liter gal het zwerk in blies, alvorens het contact met de vloer - en als hij geluk had ook het schoeisel van het Wijf - te verwezenlijken. Een keer had hij het getrokken tot de tweeëntwintigste sneer, maar hij had na afloop wijselijk besloten in het vervolg niet meer zo veel verzet op te brengen tegenover zijn braakneigingen, aangezien die ene grote gulp die avond meer dan één paar schoenen geslachtofferd had, en hoezeer hij zijn verontschuldigingen ook oprecht meende, had de echtgenote van zijn rechtstreekse baas, de minister van Openbare Werken, een gelaatsuitdrukking ten beste gegeven die qua zuurtegraad niet moest onderdoen voor Bertholds recent weder prijsgegeven maaginhoud. Al was het misschien ook niet zo'n goed idee van haar geweest die avond open schoenen te dragen.
Het Wijf wist niet wat haar overkwam. Berthold had - op zijn gevoelige walgreflex na - nooit enig teken van oplaaiende muiterij jegens haar gegeven, laat staan zijn rechtse hoek op haar neusbeen uitgeprobeerd. En terwijl het bloed uit haar neus spoot en hierbij ook haar schoeisel niet ontzag, zette ze het op een hysterisch krijsen.
Berthold, die eindelijk weer enige levensvreugde hervonden had, aanschouwde het hysteriegebeuren met dezelfde glimlach waarmee hij zonet haar keelgat enkele tanden cadeau had gedaan. Zelfs terwijl het Wijf het even dure als spuuglelijke servies dat ze nog van haar overgrootmoeder geërfd had, integraal naar zijn kop mikte, verdween de glimlach niet van zijn gezicht.
Ook het knevelen van het Wijf en her en der uitgieten van de jerrycans was met een glimlach gebeurd en deze verdween pas nadat Berthold zijn sleutels van de salontafel genomen had, een sigaret opstak en deze enkele minuten later half opgerookt richting keukenvloer flikkerde. En terwijl het huis in vlammen opging, reed hij naar zijn werk op het ministerie, hierbij slechts één keer tot remmen gedwongen: 'Wegenwerken. Omlegging langs de Kerkstraat'
Hij glimlachte.
0 reacties:
Een reactie plaatsen