zaterdag 22 augustus 2009

Zand

En aldus sprak de profeet: "Ziezo, we zijn er."
- "Hoezo 'we zijn er'," vroeg Menachem van Hebron, "is dít het Beloofde Land?"
Menachem keek om zich heen. De drie andere volgelingen volgden zijn voorbeeld. Niets dan zand.
De profeet, die deze vraag allerminst verwacht had, krabde zich in de baard. "Euh ja... ja, hier is het: het land van Kanaän. Het land dat de Heer ons heeft beloofd."
- "Bent u wel zeker, o wijze?" probeerde Mordechai van Idumea nog.
- "Natuurlijk ben ik zeker!"
- "Maar hier is niks!", verloor Menachem zijn geduld. "Geen grazende kudden, geen oase, zelfs geen verrekte palmboom...! Niks! Dit is geen paradijs, dit is geen Beloofd Land, dit is gewoon niks! Het is zelfs minder dan niks! Weet ge wat dit is? Dit is kut!"
- "Rustig, broeder Menachem", suste Gideon van Sebaste, "heb vertrouwen in het woord van de Heer."
- "Mijn verontschuldigingen, broeder Gideon."
De profeet, wiens verbazing had plaatsgemaakt voor een licht gevoel van schaamte en twijfel, draaide zich om, staarde naar de oneindige zandvlakte en stamelde bijna onhoorbaar: "Of heb ik mij nu toch vergist...?"
Miriam van Samaria, de enige vrouw in het gezelschap en de enige die zich nog niet in het gesprek gemengd had, mengde zich in het gesprek en zei: "Maar natuurlijk niet, Heer. Als Hij u hierheen geleid heeft, kan u zich niet vergist hebben."
- "Wilt gij zeggen, Miriam, dat onze Heer zich vergist heeft, als was hij niets meer dan die oude gek, rabbi Hyman van Joppa, die de laatste jaren van zijn leven meer dan één besnijdenis in een bloedbad heeft doen uitmonden?"
- "Allerminst, o wijze, allerminst! Ik wil maar zeggen dat ik er niet in het minst aan twijfel dat dit de juiste plek is. Hier en nergens anders ligt het Beloofde Land."
De profeet klapte in zijn handen van vreugde. De profeet was verheugd dat Miriam aan zijn kant stond. Hij mocht dan wel aangeduid zijn als de redder van zijn volk, dat weerhield er hem niet van die Miriam van Samaria best een lekker mokkel te vinden. Ook al was hij 64 en zij 11.
Mordechai van Idumea echter, was minder overtuigd: "Kunnen we de woorden van de Heer niet een beetje vrijer opvatten, o wijze, en bijvoorbeeld het Beloofde Land verschuiven naar de dichtstbijzijnde oase? Kwestie dat ik nogal euhm... allergisch ben aan de zon."
- "De woorden van de Heer vrij opvatten?! Als we godverdomme allemaal elkanders woorden vrij gaan beginnen opvatten, kan ik goddomme beter nu al in mijn dagboek schrijven dat die plas waar ik daarstraks in één sprong over geraakt ben - en dat was er één van minstens 60 centimeter, en dat op mijn leeftijd! - een zee was waar ik over gesprongen ben! Of nee: dat ik ze godverdomme in tweeën gespleten heb, waarbij de golven als muren om ons heen stonden terwijl wij haar overstaken...!"
- "U overdrijft, o wijze profeet, dat bedoel ik toch helemaal niet. Wat ik bedoel is toch niet zo drastisch? Het lijkt me aannemelijker dat de Heer ons een mooie oase zou voorschotelen in plaats van dit desolate maanlandschap, een paradijs waarvan de palmbomen te tellen zijn op de vingers van geen hand."
- "...of dat ik godverdomme met een brandende doornstruik heb staan praten, in plaats van dat vuur uit te pissen! En dat die doornstruik onze Heer was!"
- "Kom kom", suste Gideon van Sebaste de duidelijk overspannen profeet, "dat bedoelt Mordechai toch helemaal niet? Ik vind het - met alle respect uiteraard, o grote wijze - niet eens zo'n slecht idee."
- "We blijven hier!", blafte de profeet. "We hadden afgesproken dat ik de profeet mocht zijn, dus beslis ik. En dit is het Beloofde Land, punt uit!"
- "Al goed, al goed." sprak Mordechai.
Menachem van Hebron had geen verdere kritiek meer kunnen geven omdat hij buiten westen gegaan was van opwinding en ook Gideon had geen bezwaar. Gideon kon het allemaal niks schelen, die was te druk bezig met zijn heroïneverslaving.
En zo was het Volk van God ontsnapt uit de klauwen van de farao en aangekomen in het Beloofde Land. Eindelijk konden ze hun tenten onder de verschroeiend hete zon opslaan en beginnen aan de verdere groei van hun volk.
"Zo zo, lieve Miriam. Hier zitten we dan..." sprak de profeet verleidelijk, terwijl de anderen volop aan de arbeid waren.
- "Ja... Euh, meneer de profeet?"
- "Ja, mijn kind?", antwoordde de profeet, angstvallig zijn ontluikende erectie verbergend. Het was zijn eerste in maanden. De profeet was immers al op leeftijd en sinds het Volk van God op kamp vertrokken was, had hij niets dan stress gehad. Dit was zijn eerste moment van ontspanning. Al begon zijn gewaad nu toch stilaan wél te spannen, zo ongeveer ter hoogte van zijn kruis.
- "Ik euh... ik vroeg mij af..."
De profeet voelde het bloed uit zijn hersenen wegtrekken en de zwellichamen zijner penis vulden zich gestaag met 's mans levenssappen.
"...of het een zonde is om je naaste lief te hebben."
Een eerste voorvochtplekje vormde zich op het gewaad van de profeet. Hij was niet meer te houden.
- "O natuurlijk niet, kind! Laat ons..."
- "En wat als die naaste een meisje is?"
De profeets enthousiasme werd even plotsklaps als genadeloos de kop in gedrukt. De twijfel sloeg immers weer toe: doelde ze op het liefhebben van een meisje door een weliswaar iets oudere maar tedere man, of het liefhebben van een meisje door een vuile lesbische goj? Een kaffer, zoals die vuile rot-Egyptenaren zouden zeggen, hoewel zij zelf de enigen zijn die zulke heidenen met hun doortrapte zeden ter wereld kakken!
- "H-Hoe bedoel je, mijn kind?"
- "Wel vader, ik merk dat ik meer en meer..."
Menachem, die ondertussen weer bij bewustzijn gekomen was en net zinnens was geweest de profeet de mantel uit te vegen omdat hij zo'n ridicule plek had gekozen voor dat verrekte Beloofde Land van 'm, had echter vanachter Gideons inmiddels opgerichte tent staan luisteren, geduldig wachtend tot Miriam zou oprotten en hij de profeet zijn eigen baard te vreten zou kunnen geven indien hij Menachem andermaal ongelijk zou hebben gegeven.
"He jongens," fluisterde Menachem de anderen toe, "die Miriam is een pot."
- "Wat?!" antwoordde Gideon, die net een injectienaald in zijn arm aan het duwen was, dermate verbaasd dat hij de naald los doorheen de arm in kwestie joeg en een slechts door een reddende vuistslag van Menachem gesmoorde gil slaakte.
De andere volgeling, Mordechai, die zich net van kop tot teen had ingesmeerd met zonnemelk, verliet terstond zwijgend Gideons tent, nam een ijzerzaagje uit Menachems gereedschapskist en begaf zich in alle sereniteit naar zijn eigen vertrekken.
Gideon en Menachem slopen weer dichterbij de profeet en Miriam van Samaria.
- "...maar net zo goed met m'n tong." hoorden ze Miriam nog zeggen.
De profeet, die ondertussen even bleek was geworden als de vochtplek op zijn gewaad, staarde wazig voor zich uit. Het enige waar hij aan kon denken was:
"Ja maar Miriam, mijn kind, wilt gij nu zeggen dat gij de lichamelijke liefde met een man geheel en al afzweert?"
- "Ja...", antwoordde ze verlegen. "Ik weet dus niet goed hoe het verder moet met de toekomst van ons volk, o grote wijze..."
De profeet slaakte op zijn beurt een gil, greep zich naar het hart en viel dood neer. Miriam panikeerde en barstte in tranen uit.
Verdomd enigmatische klootzakken, die wijven... dacht Menachem. Eerst zitten melken over poepen met zo'n andere heidenzeug en dan janken als een kind van 11 als een man - die lul de behanger van een rotprofeet dan nog wel - zijn kaas laat.
"Waar wachten we op, Menachem? De profeet is dood! We moeten hem begra..."
- "Bekijk het maar, Gid. Ik ga eens kijken wat Mordechai aan het uitvreten is."
Aangekomen in diens tent trof Menachem aan: een briefje, Mordechai's penis en Mordechai zelf, gestikt in zijn eigen overgeefsel, mogelijk als gevolg van het op de grond zien liggen van zijn penis terwijl hijzelf er twee meter vandaan stond.
Menachem raapte het briefje op uit het zand dat dienst deed als universele vloerbekleding in het tentenkamp, en las het.
"Waarde vrienden en kutprofeet. En lesbische schurftheidene. Dat ik veertig dagen lang de huidreepjes van mijn kop heb lopen verbranden terwijl ik die ouwe gek zijn stenen tafelen van hier naar daar moest zeulen, kon ik nog enigszins verdragen. Dat ik mij veertig ijskoude nachten lang heb moeten verwarmen met een combinatie van mijn eigen gewaad en tweeënveertig kilo kamelenstront, tot daaraan toe. Maar dat de enige vrouw, 't is te zeggen: het enige vrouwelijke, godverdomme maar elf jaar oude kutwezen in deze groep, bovendien nog eens meer gleuven blijkt te hebben beroerd dan de fakteur van ons slavendorp destijds, dat gaat er bij mij niet in. Daarom heb ik bij wijze van protest mijn piemel afgesneden. Had ik dit alles eerder geweten en had ik 'm al die tijd niet nodig gehad om te pissen, ik had het godverdomme al veel eerder gedaan! Desalniett..."
Vanaf hier werd het briefje nogal onduidelijk, omdat Mordechai alles wat hierop volgde ondergekotst had. Alleszins, de situatie sprak voor zich: de kutprofeet was dood en Mordechai had zijn eigen luchtpijp ondergewalgd. Er zat maar één ding op:
Menachem stenigde het lesbische wijf, gaf Gideon zijn middelvinger en trok de woestijn in. Gideon op zijn beurt begroef de trut, de kutprofeet en de eunuch en werd vervolgens dodelijk op het hoofd getroffen door een nochtans in volle vlucht verkerende, doodvallende gier.
Het was meteen het einde van het Volk van God, en het einde van het apocriefe evangelie volgens Menachem van Hebron.

2 reacties:

Daan De Swaef zei

Jawadde dadde! Backer, dat was een prachtig staaltje schrijfkunst. Zelfs ultra-conservatieven kunnen zich op bepaalde momenten vereenzelvigen met het volk van God. Of doen ze dat zowiezo al? Hmmm ...

*strokes beard*

Nele zei

toch hoor ik het u liever uitbundig vertellen dan het te lezen :)