zaterdag 5 juli 2008

Cap Gris-Nez

Het had weinig zin om te kniezen. De ferry was vertrokken, en weg was ze. Hij had te laat beseft dat zijn leven zonder haar weinig betekenis had. Te weinig betekenis.
Daar zat hij. In gedachten verzonken, op het strand van Calais, starend naar de krijtrotsen van Dover. De overkant. De ferry was al lang niet meer zichtbaar. Hij was haar nog achterna gereden. Hij had haar nog willen tegenhouden. Men beseft pas hoe zoet een bloem geurt, als ze verwelkt is.
Een traan raakte het zand. Diep vanbinnen wist hij dat tranen de situatie niet zouden verbeteren, en dat de afdruk ervan binnen enkele uren door golven overspoeld zou worden. Een mooie vergelijking. Het verdriet zou worden weggevaagd en de volgende morgen zou het zand, of het leven, weer mooi egaal zijn. Neen, bedacht hij zich, de golven zouden evenzeer een synoniem voor meer ellende kunnen zijn.
Terwijl de zon langzaam maar zeker onderging, probeerde hij te ontdekken waar het fout was gegaan. Hét kantelpunt in de relatie. Had hij haar ondergewaardeerd? Neen, hij had haar aanbeden als... als een godin. Iets anders kon hij niet bedenken. Het aanbidden had hem ook geen enkele moeite gekost. Een teken dat het goed zat, zo had hij altijd gedacht.
Maar blijkbaar zat het niet goed. Zij was ongelukkig. Was ze dat? Hij kon zich niet herinneren dat ze één keer teneergeslagen geweest was. Kwaad ja, af en toe. Het blijft tenslotte een vrouw. Hij glimlachte, door de tranen heen. Van kleinsaf aan al had hij in elke tegenslag wel iets positiefs gezien. Als iets grappig was, moest het ook gezegd worden, vond hij.
Ze waren uit elkaar gegaan en beiden hadden ze eronder geleden. Ze had nooit verstaan waarom hij het had uitgemaakt. Maar hij had zijn trots. Ze was te veel voor één man, maar niet genoeg voor twee, en hij was niet bepaald het soort man dat zijn vrouw deelde met een andere man. De vele kleine vernederingen hadden van hem een gebroken man gemaakt en telkens hij haar zag, zag hij de vergissingen die ze in het verleden had gemaakt. Ze was als een wit kleedje dat haar glans verloren had, door het te veel gewassen te hebben. Ze was het vale kleedje onderin de kast geworden. Het wordt niet weggegooid, omdat je er te veel goeie herinneringen aan hebt, maar je bent ook niet meer zinnens het te dragen.
Hoe graag hij haar ook gezien had, en nog altijd zag, het was op. Hij kon niet meer verder. Hij wist niet of zijn tranen ter aarde stortten omdat hij haar nooit meer zou kussen, of omdat ze gefaald hadden. Of omdat hij gefaald had. Aan hem had het niet kunnen liggen, zo trachtte hij zichzelf wijs te maken. Hij had haar altijd graag gezien. Te graag? Had hij haar verstikt?
Wat maakte het uit. Weg was ze. Net nu hij haar terugwilde, net nu het gemis ondraaglijk geworden was, had ze iemand anders leren kennen. Hem was ze naar Groot-Brittannië gevolgd. Zou ze destijds hetzelfde voor hem gedaan hebben? Allicht niet. Hij wist het niet. Zijn onwetendheid had hem altijd al gesierd. Omdat hij niet dom was. Hij was veeleer verdwaald. Te vroeg voor de leeuwen geworpen. Zijn overlevingsinstinct had hem geleerd alles dag per dag te bekijken. Een te simplistische levensfilosofie, dat wist hij zelf ook wel. Nu toch.
Hij raapte zijn jas op, stofte haar af en stak zijn armen in de mouwen. Een das had hij niet aan vandaag, anders had hij hem nu ongetwijfeld weer keurig rechtgetrokken. Verdriet is één ding, slordigheid iets helemaal anders. Verdriet kon ook ondergaan worden zonder er een boeltje van te maken. Hij wandelde terug naar de wagen en opende het portier. Hij haalde nog één keer diep adem, alvorens de sleutel in het contact te steken en de terugreis aan te vatten.
Onderweg dacht hij terug aan wat hij die dag belangrijker had gevonden dan haar tegen te houden. Hij had nog proberen vechten tegen de aandrang om haar achterna te gaan. Indien hij meteen had toegegeven, had hij haar misschien nog net op tijd kunnen tegenhouden. Hij was de Belgische grens al gepasseerd toen hij plots rechtsomkeer maakte. Cap Gris-Nez. Daar zou hij heen gaan. Nu meteen.
Het was al diep in de nacht toen hij op de klippen van Cap Gris-Nez stond. De ijskoude wind sneed hem de adem af. Hij had de koplampen niet gedoofd. Des te vlugger zou de auto gevonden worden. En de foto's op de passagiersstoel. Hij droeg 'haar' altijd met zich mee. Nog steeds. Eén foto had hij mee naar buiten genomen. Eén foto die hij nu vasthield en in het maanlicht probeerde te bekijken. Het was nét te donker om haar trekken te herkennen. Maar het was niet nodig. Hij wist hoe ze op de foto stond. Hij had geen foto's nodig om zich te herinneren hoe mooi ze was. Is.
De nummers in zijn gsm had hij gewist. Enkel de hare had hij erin gelaten. Niet dat men haar moest bellen, achteraf. Liefst zou hij in alle anonimiteit gaan.
Hij wandelde naar de rand van de klif en richtte zijn ogen een laatste keer ten hemel. De maan zag er prachtig uit vannacht.
Niemand had de doffe plons gehoord.

Toen zijn wagen de volgende ochtend gevonden werd en men iets verderop zijn jas, netjes opgevouwen in het gras ontdekt had, had men de politie gewaarschuwd. In de auto hadden ze de foto's en de gsm gevonden. Eén nieuw bericht. Nog geen halfuur oud. 'Schat gsm'.

"Heb me bedacht. Ben op weg terug naar Calais. Wil je me nog?"

2 reacties:

Tom zei

Waar is de eyecatcher van weleer in de eerste drie zinnen? Waar is die humoristische toon met tragische ondertoon?

Het is alsof ik triviaalliteratuur lees, literatuur met een kleine l.

Kurt zei

Fuck pé! Awel Backi, tees pakt mij, tis u gelukt mijne mooien avond (den eersten avond goe weer na lange tijd) toch depressief te maken. Echt schoon!